De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling om machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen in een pleegzorgvoorziening gedurende de ondertoezichtstelling. De kinderen verblijven momenteel in een pleeggezin. Er zijn ernstige zorgen over huiselijk geweld tussen de ouders, waarbij de kinderen zijn blootgesteld aan verbale en fysieke agressie. Er zijn veiligheidsafspraken gemaakt om contact tussen ouders te beperken en toezicht te houden.
De moeder verzet zich tegen het verzoek en stelt dat de informatie verouderd is, dat zij een liefdevolle moeder is en openstaat voor passende hulpverlening. Zij ontkent agressie in het bijzijn van de kinderen en benadrukt dat er nog niet alles is geprobeerd om uithuisplaatsing te voorkomen.
De kinderrechter oordeelt dat de machtiging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen. De mentale gesteldheid van de moeder, haar onvoorspelbare gedrag en het gestopte hulpverleningstraject leiden tot onvoldoende veiligheid en toezicht in de thuissituatie. De kinderrechter wijst op de noodzaak van GGZ-hulp voor de moeder en stelt dat de gecertificeerde instelling moet onderzoeken onder welke voorwaarden terugkeer mogelijk is.
De machtiging wordt verleend voor de periode van 17 tot 29 november 2025 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt ondanks eventueel hoger beroep.