ECLI:NL:RBDHA:2025:23818

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
SGR 24/9786
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag urgentieverklaring gemeente Den Haag in verband met mantelzorgsituatie en ontwrichting huishouden

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 15 december 2025, wordt het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een urgentieverklaring behandeld. Eiseres, die met haar kinderen in [plaats 2] woont, heeft op 11 juni 2024 een aanvraag ingediend, die door het college van burgemeester en wethouders van [plaats 1] op 8 augustus 2024 werd afgewezen. Het bezwaar van eiseres werd op 9 december 2024 ongegrond verklaard. Eiseres stelt dat zij en haar kinderen in de buurt van familieleden in [plaats 1] willen wonen en dat haar verhuizing naar [plaats 2] gedwongen was door schuldenproblematiek en psychische problemen. De rechtbank oordeelt dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor een urgentieverklaring volgens de Huisvestingsverordening van [plaats 1]. De rechtbank concludeert dat er geen sprake is van een mantelzorgsituatie en dat de ontwrichting van het huishouden niet aannemelijk is gemaakt. De rechtbank wijst erop dat de belangen van de kinderen wel zijn meegewogen, maar dat de huidige woonsituatie voldoende is voor hun basisbehoeften. Het beroep wordt ongegrond verklaard, en eiseres krijgt geen griffierecht terug of vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/9786

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. H.S. Huisman),
en

het college van burgemeester en wethouders van [plaats 1] , verweerder

(gemachtigde: mr. G. Chakdua).

Inleiding

1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een urgentieverklaring.
1.1
Eiseres heeft op 11 juni 2024 een aanvraag voor een urgentieverklaring ingediend.
1.2
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 8 augustus 2024 (het primaire besluit) afgewezen.
1.3
Met het besluit van 9 december 2024 (bestreden besluit) is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.4
Eiseres heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.5
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.6
De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, gemachtigde van eiseres en gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres heeft om een urgentieverklaring verzocht, omdat zij en haar kinderen graag in de buurt van familieleden in [plaats 1] willen wonen. Eiseres heeft in 2017 haar woning in [plaats 1] verlaten en is toen met haar twee kinderen naar [plaats 2] verhuisd. Eiseres is erkend als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagenaffaire en stelt dat de verhuizing gedwongen was vanwege de schuldenproblematiek. Eiseres heeft te kampen met psychische problemen, waarvoor zij ook behandeld is. Eiseres kan hierdoor niet werken en ontvangt momenteel een uitkering op grond van de Ziektewet.

Wat heeft verweerder besloten?

3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiseres niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 4:6, eerste lid, aanhef en onder b van de destijds geldige Huisvestingsverordening [plaats 1] 2023 (hierna: de Verordening). Er is namelijk geen sprake van het ontvangen (of verlenen) van mantelzorg. Na bezwaar heeft verweerder ook het standpunt ingenomen dat eiseres niet onder de overige urgentiecategorie van artikel 4:7, eerste lid, aanhef en onder b van de Verordening valt, omdat volledige ontwrichting van het huishouden vanwege de geestelijke belasting van eiseres niet aannemelijk is gemaakt. Er is volgens verweerder ook geen reden om de hardheidsclausule toe te passen.
Wat vinden eiseres en verweerder in beroep?
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Zij voert ten eerste aan dat verweerder een verkeerd wettelijke voorschrift (het eerste lid in plaats van het tweede lid van artikel 4.6 van de Verordening) aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd. Ook heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat eiseres niet onder artikel 4:7, eerste lid, onderdeel b van de Verordening valt. Verweerder heeft onvoldoende betekenis toegekend aan het advies van Doorbraaklab en heeft ten onrechte geen sociaal medisch onderzoek laten uitvoeren. Ook heeft verweerder ten onrechte geen toepassing gegeven aan de hardheidsclausule. Tot slot heeft verweerder de belangen van de kind, zoals bedoeld in artikel 3 van het IVRK [1] , onvoldoende betrokken in de bestreden besluitvorming.
5. Verweerder heeft in het verweerschrift en op de zitting gemotiveerd gereageerd op de beroepsgronden van eiseres en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting aangegeven dat de urgentieverklaring (ook) op grond van de algemene weigeringsgrond als bedoeld in artikel 4.5, aanhef en onder b van de Verordening had kunnen worden afgewezen. Eisers beschikt immers over een zelfstandige woonruimte. Deze algemene weigeringsgrond is echter niet als zodanig aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. De rechtbank zal zich voor het oordeel dan ook beperken tot het bestreden besluit, de beroepsgronden van eiseres en de reactie van verweerder daarop.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank geeft eiseres geen gelijk en overweegt daartoe als volgt.
Verkeerde grondslag
6.1
De rechtbank stelt vast dat de Verordening per 1 januari 2025 gewijzigd is en dat de vorige versie, geldig van 1 januari 2023 t/m 31 december 2024, van toepassing was ten tijde van de aanvraag, het primaire besluit en het bestreden besluit. Verweerder heeft terecht aangevoerd dat de voor deze zaak toepasselijke artikelen voortvloeien uit de Verordening die destijds van kracht was. Van besluitvorming op basis van de verkeerde wettelijke voorschriften is geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 4.6, eerste lid, aanhef en onder b van de Verordening (mantelzorgsituatie)
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden geconcludeerd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontvangen (of verlenen) van mantelzorg dringend noodzakelijk is en dat dit het verlenen van een urgentieverklaring rechtvaardigt. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat eiseres helemaal geen mantelzorg heeft ontvangen van haar familieleden, omdat zij op afstand woont in [woonplaats] .
Zij heeft dus niet kunnen aantonen dat er minimaal 3 maanden voorafgaand aan de aanvraag sprake is van een bestaande mantelzorg relatie. Dit is wel een voorwaarde die wordt gesteld in artikel 2.2.2. van de Beleidsregel urgentieverklaringen [plaats 1] 2019, die op de situatie van eiseres van toepassing is. Zij stelt zich op het standpunt wel behoefte te hebben aan mantelzorg. Los van het feit dat dit niet voldoende is om in aanmerking te komen voor een urgentieverklaring onder de bepaling van artikel 4.6, eerste lid onder b van de Verordening, heeft zij deze behoefte niet met objectieve bewijsmiddelen geconcretiseerd of onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 4.7, eerste lid, aanhef en onder b, Verordening (ontwrichting van het huishouden)
6.3
De rechtbank is van oordeel dat verweerder ook op goede gronden geconcludeerd heeft dat volledige ontwrichting van het huishouden van eiseres vanwege haar geestelijke en emotionele belasting niet aannemelijk is gemaakt. In de eerste plaats mocht verweerder in dit kader tegenwerpen dat toepassing van artikel 4.7 van de Verordening vereist dat de woonsituatie van eiseres in [plaats 1] is, hetgeen hier niet aan de orde is. Los daarvan, heeft verweerder zich in het bestreden besluit op goede gronden op het standpunt gesteld dat met de overgelegde medische stukken, zoals het huisartsenjournaal, niet aannemelijk is dat er sprake is van ontwrichting van het huishouden van eiseres vanwege de geestelijke en emotionele belasting van haarzelf, dan wel haar zoon. De rechtbank begrijpt dat eiseres psychische problemen heeft overgehouden aan o.a. de problemen door de toeslagenaffaire. Ook haar zoon heeft medische problemen gehad. Eiseres heeft aangegeven op zitting dat de gezondheid van haar zoon momenteel stabiel is. Niet gebleken is dat eiseres en haar gezin zich, ondanks de genoemde problemen, niet staande kunnen houden in hun huidige woonsituatie en dat het huishouden ontwricht is. Verweerder heeft mogen meewegen dat ook in de gemeente [woonplaats] mogelijkheden bestaan voor het sociaal-maatschappelijk en medisch ondersteunen van eiseres. Niet is gebleken is dat deze voorzieningen niet toereikend zijn voor eiseres haar problematiek. De beroepsgrond slaagt niet.
Hardheidsclausule
6.4
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ook mogen concluderen dat geen aanleiding is gezien om de hardheidsclausule toe te passen. Gelet op de vele woningzoekenden in de regio Haaglanden, is alleen in zeer uitzonderlijke situaties toepassing van de hardheidsclausule op zijn plaats. Eiseres en haar kinderen bevinden zich in een vervelende positie, maar verweerder heeft voldoende toegelicht waarom haar situatie niet zo schrijnend is dat zij voorrang zou moeten krijgen op andere woningzoekenden die in vergelijkbare omstandigheden verkeren. Hierbij heeft verweerder mogen meewegen dat de gewenste mantelzorg tot op heden niet verleend is. De beroepsgrond slaagt niet.
6.5
De rechtbank merkt in dit kader nog op dat het feit dat het Doorbraaklab kan worden ingeschakeld voor uitzonderlijke of bijzondere gevallen, niet betekent dat dan ook een urgentieverklaring zal worden verleend. Doorbraaklab geeft slechts een advies aan verweerder, die kan worden meegenomen in de beoordeling van de hardheidsclausule. Daarvan kan gemotiveerd worden afgeweken, hetgeen in dit geval naar het oordeel van de rechtbank, op juiste gronden is gedaan.
Belangen van het kind
6.6
Tot slot bestaat er geen grond voor het oordeel dat verweerder de belangen van de kinderen onvoldoende heeft meegewogen. Verweerder heeft de belangen van de kinderen kenbaar meegewogen in de bestreden besluitvorming, maar dit heeft niet tot een andere uitkomst geleid. Verweerder mocht daarbij in aanmerking nemen dat de kinderen ten tijde van het bestreden besluit een dak boven hun hoofd hadden, naar school gaan en in hun basisbehoeften kunnen voorzien in de huidige woonsituatie. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag voor een urgentieverklaring op juridische juiste gronden heeft afgewezen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. C. Hofman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind