ECLI:NL:RBDHA:2025:23774

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
NL25.38843
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vw 2000Art. 61 Vw 2000Art. 62 Vw 2000Art. 66a Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Nigeriaanse man wegens ongeloofwaardigheid problemen Boko Haram en seksuele gerichtheid

Eiser, een Nigeriaanse man, vroeg asiel aan in Nederland vanwege vermeende bedreigingen door Boko Haram en vervolging vanwege zijn homoseksuele gerichtheid. De minister wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond en legde een terugkeerbesluit en inreisverbod op.

De rechtbank beoordeelde het beroep van eiser en concludeerde dat de minister terecht rekening hield met het referentiekader van eiser. De verklaringen over zijn problemen met Boko Haram en zijn seksuele gerichtheid werden als ongeloofwaardig beoordeeld vanwege inconsistenties, gebrek aan bewijsstukken en onvoldoende onderbouwing.

Daarnaast werd vastgesteld dat eiser bewust onjuiste leeftijdsgegevens had verstrekt en zijn paspoort opzettelijk had vernietigd, wat de betrouwbaarheid verder ondermijnde. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, de afwijzing van de asielaanvraag bleef in stand evenals het terugkeerbesluit en het inreisverbod.

Uitkomst: De rechtbank handhaaft de afwijzing van de asielaanvraag, het terugkeerbesluit en het inreisverbod wegens ongeloofwaardigheid van de asielmotieven.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.38843

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. K. Benchaïb),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. Aan eiser is ook een terugkeerbesluit opgelegd waarin staat dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten. Aan eiser is ook een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar. Eiser heeft tegen deze onderdelen ook beroepsgronden ingediend.
1.1.
In deze uitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser en heeft terecht geconcludeerd dat de door eiser gestelde problemen met Boko Haram ongeloofwaardig zijn. Ook het standpunt van de minister dat eisers gestelde homoseksuele gerichtheid en de daarmee samenhangende problemen niet geloofwaardig zijn, blijft in stand. Tot slot zijn het terugkeerbesluit en het inreisverbod terecht aan eiser opgelegd. Hierna licht de rechtbank toe hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 18 augustus 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 15 augustus 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 21 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser komt uit Nigeria. Hij werkte in een hotel waar, zonder dat hij het wist, op enig moment leden van Boko Haram verbleven. Eén van die leden was een man genaamd [persoon A]. Eiser kwam in contact met [persoon A] maar wist niet dat hij een lid was van Boko Haram. Twee weken later was er een aanslag door Boko Haram op een markt. [persoon A] belde eiser en vroeg hem om spullen uit zijn hotelkamer weg te halen. Bij aankomst in de hotelkamer van [persoon A], bleken er wapens te liggen. Eiser nam geen spullen mee en waarschuwde zijn werkgever, die later werd gearresteerd. Daarna ontving eiser doodsbedreigingen van Boko Haram, waarna hij onderdook bij zijn oom in Lagos. Op 25 december 2017 is eisers familie gedood door Boko Haram. Daarna is eiser het land ontvlucht. Eiser vreest vervolging door Boko Haram en vanwege zijn homoseksuele gerichtheid.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen: (1) Identiteit, nationaliteit en herkomst, (2) Problemen met Boko Haram,
(3) Problemen vanwege seksuele gerichtheid.
4.1.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn
.De minister acht de problemen van eiser met Boko Haram en de problemen vanwege zijn seksuele gerichtheid ongeloofwaardig.
Identiteit, nationaliteit en herkomst
5. De rechtbank stelt vast dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser tussen partijen niet in geschil is. Dat wat eiser heeft aangevoerd over zijn geboortedatum bespreekt de rechtbank hieronder inhoudelijk onder 9.1 en 9.2.
Had eiser meer moeten kunnen verklaren over zijn werk en homoseksuele gerichtheid gelet op zijn referentiekader?
6. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Hij is op jonge leeftijd gaan werken en heeft alle mogelijke informatie gegeven, inclusief details over zijn werk in het hotel. Het feit dat er om een schriftelijk contract of salarisstroken wordt gevraagd, terwijl hij die niet heeft, bevestigt voor hem dat zijn referentiekader niet wordt begrepen. Eiser heeft gewerkt in het hotel zoals hij heeft verteld. Eiser merkt op dat de minister de rol van ‘manager’ verkeerd begrijpt. Eiser voerde in het hotel diverse taken uit en was niet enkel leidinggevende. De minister heeft niet gevraagd naar de specifieke werkzaamheden van eiser. Als de minister hierover onduidelijkheid heeft, is het zijn verantwoordelijkheid om eiser daar meer vragen over te stellen. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat hij is opgegroeid als jonge homoseksueel en daarom lastig de juiste woorden kan geven aan zijn gevoelens. Daar is onvoldoende rekening mee gehouden in de gehoren en bij de besluitvorming.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat partijen uitgaan van hetzelfde referentiekader. De minister heeft in de besluitvorming aangegeven dat eiser een 35-jarige man is uit Nigeria. Daarbij is uitgegaan van het feit dat eiser het tweede jaar van de middelbare school heeft afgerond en kan lezen en schrijven. Daarnaast heeft eiser minstens tweeënhalf jaar lang gewerkt, naar eigen zeggen als hotelmanager.
6.2.
Partijen verschillen van mening over de mate waarin eiser in staat moet worden geacht om te verklaren over bepaalde onderwerpen. Volgens de minister moet eiser meer kunnen vertellen over zijn werkzaamheden en zijn homoseksuele gerichtheid omdat voor de functie die hij bekleedde verschillende competenties en vaardigheden nodig zijn. Eiser is het daar niet mee eens.
6.3.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich niet terecht op het standpunt gesteld dat hij voldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser en dat van eiser verwacht mocht worden dat hij meer kon verklaren over zijn werkzaamheden en gerichtheid. Eiser heeft enige scholing genoten. Hij is op jonge leeftijd gaan werken en heeft tweeënhalf jaar in het hotel gewerkt. Hij was hotelmanager en heeft in die functie niet alleen aansturende werkzaamheden gedaan maar allerlei werkzaamheden verricht. [1] De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat met deze functie verantwoordelijkheden samenhangen en dat eiser meer informatie had kunnen geven over (de eigenaar van) het hotel. Het betoog van eiser dat hij geen salarisstroken of arbeidsovereenkomst kan overleggen vanwege zijn referentiekader volgt de rechtbank niet. Dat hij deze documenten niet kan overleggen, hangt samen met wat volgens eiser gebruikelijk is in Nigeria, niet met zijn persoonlijke referentiekader. Voor zover eiser betoogt dat hij door zijn referentiekader niet meer kan vertellen over zijn homoseksuele gerichtheid, overweegt de rechtbank dat de minister tijdens de gehoren voldoende rekening heeft gehouden met dit referentiekader. Uit het gehoor blijkt niet dat eiser de vragen niet begreep of het moeilijk vond om over zijn seksuele gerichtheid of gevoelens te praten. Er zijn geen aanwijzingen dat zijn referentiekader hem heeft belemmerd om hierover te verklaren. Ook in zijn correcties en aanvullingen heeft eiser niet aangegeven dat dit een rol speelde. De minister heeft terecht overwogen dat van eiser, gezien zijn referentiekader, verwacht mag worden dat hij meer kan vertellen over zijn homoseksualiteit dan hij heeft gedaan.
Eiser heeft nog aangevoerd dat het COC al meerdere malen een standpunt heeft ingenomen over de wijze van vraagstelling in de asielprocedure, onder meer over de veronderstelde processen van bewustwording en zelfacceptatie, niet altijd wordt begrepen door asielzoekers omdat deze niet aansluiten bij hun ervaringen en leefwereld. Deze opmerking leidt niet tot een ander oordeel omdat eiser het niet heeft betrokken op zijn persoonlijke situatie.
Heeft de minister ten onrechte de problemen met Boko Haram ongeloofwaardig geacht?
7. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte zijn problemen met Boko Haram ongeloofwaardig acht. De minister heeft te weinig waarde gehecht aan het overgelegde arrestatiebevel omdat het een kopie betreft. Alle bewijsstukken, ook kopieën, moeten immers bij de beoordeling van een asielverzoek worden betrokken, zeker bij een eerste aanvraag. Verder betoogt eiser dat de beoordeling van zijn werkzaamheden in het [naam hotel] onzorgvuldig is. De minister hanteert westerse normen, terwijl schriftelijke arbeidsovereenkomsten en loonstroken in Nigeria ongebruikelijk zijn. Eiser heeft alle beschikbare informatie verstrekt, ondanks dat hij na beëindiging van zijn bankrekening geen toegang meer heeft tot zijn gegevens. Daarmee heeft hij voldaan aan zijn samenwerkingsplicht. Tot slot heeft eiser verklaard dat er op de markt is geschoten, wat hij interpreteert als een aanslag, maar niet specifiek als een bomaanslag. Zijn informatie hierover komt van hotelgasten en latere berichten.
7.1.
Uit het bestreden besluit blijkt dat de minister de vanaf 1 juli 2024 geldende Werkinstructie (WI) 2024/6 heeft toegepast. In deze werkinstructie zijn veranderingen doorgevoerd in de wijze waarop de minister de geloofwaardigheid van de asielmotieven beoordeelt. De werkinstructie is een nadere invulling van het beleid in paragraaf C1/4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), dat op zijn beurt een uitwerking is van artikel 31 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). De minister beoordeelt volgens WI 2024/6 eerst of een vreemdeling zijn asielmotieven in voldoende mate met bewijsmateriaal heeft onderbouwd. Als de vreemdeling daarin slaagt, wordt het asielmotief daarom al geloofwaardig geacht en is een verdere geloofwaardigheidsbeoordeling niet noodzakelijk. Indien de vreemdeling zijn asielmotieven niet in voldoende mate met bewijsmateriaal heeft onderbouwd, dan beoordeelt de minister of de vreemdeling voldoet aan de in artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 opgenomen voorwaarden. Is aan die voorwaarden voldaan, dan wordt de vreemdeling ‘ontslagen’ van de eis dat hij zijn asielmotieven (volledig) met bewijsmateriaal onderbouwt en is het asielmotief alsnog geloofwaardig.
Heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser dit asielmotief niet in voldoende mate met bewijsmateriaal heeft onderbouwd?
7.2.
De rechtbank stelt voorop dat dit asielmotief betrekking heeft op de problemen die eiser stelt te hebben ondervonden naar aanleiding van beschuldigingen van betrokkenheid bij Boko Haram en het ondersteunen van terrorisme. De minister heeft terecht vastgesteld dat eiser dit motief onvoldoende heeft onderbouwd met objectieve documenten. Ten aanzien van het door eiser overgelegde arrestatiebevel heeft de minister terecht opgemerkt dat het gaat om een kopie waarvan de authenticiteit niet kan worden vastgesteld. De waarde van dit document is daarom (zeer) beperkt. Daarnaast wordt niet betwist dat eiser geen documenten heeft overgelegd waarmee hij heeft kunnen bewijzen – of minst genomen aannemelijk gemaakt – dat hij heeft gewerkt bij het hotel.
7.2.
De minister heeft gelet op het voorgaande overeenkomstig WI 2024/6 beoordeeld of eiser voldoet aan de in artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 opgenomen voorwaarden om hem het voordeel van de twijfel te geven.
Heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor het geven van het voordeel van de twijfel?
7.3.
De minister stelt zich op het standpunt dat er geen aanleiding bestaat om eiser het voordeel van de twijfel te geven omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarde in artikel 31, zesde lid, onder a, b, c en e, van de Vw 2000. De rechtbank zal hieronder uitleggen wat zij van dit standpunt vindt.
Artikel 31, zesde lid, onder a en b, van de Vw 2000
7.4.
De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn aanvraag te staven. Ook heeft hij onvoldoende documenten overgelegd zonder dat hij daarvoor een goede verklaring heeft gegeven. Eiser heeft geen documenten overgelegd waaruit blijkt dat hij als hotelmanager heeft gewerkt bij het door hem genoemde hotel, zoals een arbeidsovereenkomst, salarisstroken of bankafschriften. Eiser stelt dat het in Nigeria niet gebruikelijk is om arbeidsovereenkomsten of salarisstroken te hebben. Hij heeft echter geen landeninformatie overgelegd om deze stelling te ondersteunen. Eisers stelling dat bankafschriften niet meer opgevraagd kunnen worden is ook niet onderbouwd en hij heeft niet laten zien dat hij dit daadwerkelijk heeft geprobeerd. De enkele verklaring dat hij niet weet hoe hij de toegang kan krijgen tot zijn bankaccount, [2] is onvoldoende om het ontbreken van deze informatie te verklaren.
Ook heeft hij geen oprechte inspanning geleverd om het originele arrestatiebevel te verkrijgen. Hij heeft de kopie zeven jaar geleden via zijn oom van eiser per app gekregen.
Eiser heeft geen poging gedaan opnieuw contact te leggen met zijn oom, terwijl deze oom eerder wel documenten heeft doorgestuurd. De enkele opmerking dat dit problemen zou geven [3] is niet onderbouwd en vormt geen geldige reden om dit na te laten. Dat deze oom inmiddels zou zijn overleden, zoals voor het eerst in beroep is gesteld, doet hier niet aan af. Eiser heeft er immers in eerste instantie voor gekozen om geen contact op te nemen met zijn oom.
Over de gestelde aanval door Boko Haram en de dood van zijn familie is ook geen enkel bewijs overgelegd, terwijl gezien de aard van de gebeurtenissen en de beschikbare ondersteuning in Nederland verwacht mocht worden dat eiser hierover documenten of andere verificatie zou proberen te verkrijgen. Tot slot merkt de rechtbank op dat de verklaring van eiser, dat overlijdensakten bij moslims in zijn omgeving in Nigeria niet worden opgemaakt en dat hij daarom geen overlijdensakte kan overleggen, [4] niet overtuigt. Eiser heeft namelijk in beroep een overlijdensakte betreffende zijn oom heeft overgelegd.
De minister heeft tot slot mogen vinden dat de uitleg van eiser – namelijk dat hij gevlucht was en niet helder kon nadenken – geen afdoende reden vormt voor het ontbreken van originele documenten. Het is namelijk de verantwoordelijkheid van eiser om zijn asielaanvraag met documenten te onderbouwen.
Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000
7.5.
De minister heeft niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Zo heeft eiser inconsistent verklaard over het eigendom van het hotel waar hij werkte: hij noemt een eigenaar met de naam Emanuel, maar kan diens volledige naam niet geven, wat opmerkelijk is omdat eiser daar 2,5 jaar (als manager) werkte. Daarnaast verklaart hij wisselend dat het hotel privébezit was en dat het in handen was van de lokale overheid. Ook de gebeurtenissen rond de vermeende aanwezigheid van Boko Haram-leden in het hotel zijn onduidelijk. Eiser kan niet helder uitleggen hoe hotelgasten deze personen zouden hebben herkend en geeft slechts speculaties, terwijl hij hierover informatie had kunnen verkrijgen via de secretaresse met wie hij hierover sprak. Verder heeft eiser eerder meerdere keren verklaard dat sprake was van een bomaanslag op 20 december 2017 [5] en zelfs aangegeven dat hij verdacht wordt van betrokkenheid daarbij. [6] Dat hij nu betoogt dat het geen bomaanslag maar een schietincident was, maakt zijn verklaring wisselend en daardoor minder geloofwaardig. Het is niet aannemelijk dat er enige informatie of berichtgeving over deze specifieke aanslag, waarbij veel doden zouden zijn gevallen, ontbreekt. Van andere vergelijkbare aanslagen van Boko Haram zijn wel uitgebreide details en slachtoffercijfers online te vinden. De minister heeft verder terecht aan eiser tegengeworpen dat hij weinig concrete details heeft gegeven over de ernst van de aanslag die volgens hem de reden vormde om te vluchten. Hoewel eiser de aanslag door Boko Haram als ‘heel erg’ en met ‘veel slachtoffers’ omschrijft, kon hij desgevraagd geen concrete details of schattingen geven over het aantal doden of gewonden. Van eiser mag redelijkerwijs worden verwacht dat hij hierover concreter kan verklaren, aangezien het zijn verantwoordelijkheid is om zijn asielrelaas aannemelijk te maken.
De rechtbank stelt tot slot vast dat eiser niet betwist dat hij wisselend heeft verklaard over de dood van zijn familieleden, die zouden zijn gedood door Boko Haram. Eiser heeft op verschillende momenten tegenstrijdige verklaringen afgelegd over de dood van zijn familieleden. Zijn verklaringen tijdens het aanmeldgehoor, bij de vreemdelingenpolitie en tijdens het nader gehoor lopen uiteen en sluiten niet logisch op elkaar aan. Eiser heeft hiervoor geen overtuigende toelichting gegeven. De verklaring dat hij zaken is vergeten of zich anders herinnerde, acht de rechtbank hiervoor onvoldoende.
Artikel 31, zesde lid, onder e, van de Vw 2000
7.6.
Eiser voldoet tot slot niet aan de voorwaarden voor het geven van het voordeel van de twijfel omdat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Eiser heeft zich bij binnenkomst voorgedaan als minderjarige, maar het EU-Vis-systeem toonde andere persoonsgegevens aan. Toen de vreemdelingenpolitie eiser hiermee confronteerde, gaf hij toe eerder een onjuiste leeftijd te hebben opgegeven. Eiser heeft geen verschoonbare reden gegeven voor het opgeven van een onjuiste geboortedatum. De rechtbank verwijst hiervoor ook naar wat er is overwogen in rechtsoverweging 9.1 en 9.2. De minister mocht hierover concluderen dat de opzettelijke misleiding over eisers leeftijd de betrouwbaarheid van eisers verklaringen in twijfel brengt.
Conclusie over de geloofwaardigheid van eisers problemen met Boko Haram
7.7.
De minister heeft zich op grond van het voorgaande terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan artikel 31, zesde lid, onder a, b, c en e, van de Vw 2000. Hij behoefde daarom niet het voordeel van de twijfel te krijgen Daarom hoefde de minister niet te volgen dat eiser problemen heeft met Boko Haram en van die zijde te vrezen heeft voor vervolging. De beroepsgrond faalt.
Heeft de minister ten onrechte de seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen van eiser ongeloofwaardig geacht?
8. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte zijn seksuele gerichtheid (en daarmee ook de daaruit voortvloeiende problemen) ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser betoogt dat hij consistent en voldoende gedetailleerd heeft verklaard over zijn homoseksualiteit, de daaruit voortvloeiende problemen (waaronder mishandeling en een gedwongen huwelijk) en zijn betrokkenheid bij lhbti-activiteiten. Ook heeft hij zijn asielmotief reeds vóór het nader gehoor kenbaar gemaakt via de correcties en aanvullingen. Volgens eiser heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met de kwetsbare positie en terughoudendheid van lhbti-asielzoekers uit landen waar homoseksualiteit verboden of strafbaar is. Ook wordt eiser ten onrechte zijn moeite om hierover openlijk en emotioneel te verklaren aangerekend. Nu bewijsstukken van een seksuele gerichtheid niet kunnen bestaan en hij zijn verklaringen heeft toegelicht, meent eiser dat het besluit ondeugdelijk gemotiveerd en onzorgvuldig tot stand is gekomen.
8.1.
De rechtbank stelt vast dat op de zitting is gebleken dat het besluit zo moet worden begrepen dat de minister de problemen vanwege de homoseksuele gerichtheid niet geloofwaardig acht omdat de homoseksuele gerichtheid niet geloofwaardig is volgens de minister.
8.2.
Niet in geschil is dat eiser zijn verklaringen over zijn homoseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Dat hiervan geen bewijsstukken kunnen bestaan, neemt dat niet weg. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser ook voor wat betreft dit element niet voldoet aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000.
Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000
8.3.
De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen over zijn seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
8.3.1.
De rechtbank merkt allereerst op dat van eiser mocht worden verwacht dat hij uitgebreider en concreter zou verklaren over zijn homoseksualiteit en de problemen die daaruit zijn voortgekomen. De enkele omstandigheid dat homoseksualiteit in zijn land verboden is en als taboe geldt, is – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – onvoldoende om de summiere verklaringen te rechtvaardigen. Ook als het in de cultuur van eiser niet gebruikelijk is om over homoseksualiteit te spreken, mocht toch van hem worden verlangd dat hij meer inzicht gaf in zijn ervaringen, aangezien het aan hem is om zijn asielrelaas te onderbouwen. Daarbij speelt een rol dat eiser zelf heeft aangegeven geen moeite te hebben met zijn homoseksuele gerichtheid. [7] Ook is tijdens het gehoor niet gebleken dat hij moeite heeft om over emoties of zijn gerichtheid te spreken. Volgens het Medifirst-rapport zijn er geen gehoorbeperkingen, afgezien van moeite met het noemen van exacte data, wat hem niet wordt tegengeworpen. [8] Daarom mocht van hem verwacht mocht worden dat hij hierover meer had kunnen vertellen. Eiser heeft daarnaast niet toegelicht waarom van hem geen gedetailleerdere verklaringen zouden mogen worden verwacht. Zijn verklaringen geven onvoldoende inzicht in zijn gevoelens en gedachtegang, en de verhouding tussen zijn religie en gerichtheid. Ook kan hij weinig vertellen over zijn relatie met [persoon B] en zijn deelname aan lhbti-bijeenkomsten in Nederland. Dit oordeel wordt hieronder nader toegelicht.
Ontdekking homoseksualiteit
8.3.2.
Eiser verklaart op een vage en oppervlakkige manier hoe hij ontdekte dat hij homoseksueel is. Hij blijft steken in algemene omschrijvingen, zoals dat hij zich ‘anders’ voelde of dat zijn gevoelens voor [persoon B] ‘niet normaal’ waren. Hierdoor ontstaat geen duidelijk beeld van hoe hij tot dit besef kwam en welke gevoelens daarbij speelden. Wanneer hierover wordt doorgevraagd, verklaart eiser slechts dat hij en [persoon B] alles samen deden en dat zij bij de eerste ontdekking zijn mishandeld. Ook dan blijft zijn persoonlijke beleving onduidelijk. Hoewel eiser meerdere kansen heeft gekregen om hierover uitgebreider te verklaren, is hij daarin niet geslaagd. Omdat eiser al vanaf zijn elfde levensjaar wist dat hij op jongens valt, mag in redelijkheid worden verwacht dat hij na al die jaren in staat is om zijn gevoelens en gedachten daarbij te verwoorden. Het blijft bovendien onduidelijk waarom het afleggen van zijn verklaring zoveel verwarring en onzekerheid zou hebben veroorzaakt, nu eiser dit niet nader heeft onderbouwd.
Relatie met [persoon B]
8.3.3.
De minister heeft zich verder niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat hij onduidelijk verklaart over zijn relatie met [persoon B]. Ondanks herhaalde verzoeken is het eiser niet gelukt zijn gevoelens of de aard van deze relatie te beschrijven. Hij geeft zelf aan niet te weten hoe hij deze gevoelens moet benoemen of waar ze vandaan komen. Verder verklaart hij niet te weten hoe hij de relatie moet omschrijven en dat hij alleen heeft verteld wat er is gebeurd. Maar uit zijn verklaringen kan niet worden afgeleid welke betekenis deze relatie voor hem had. Daarbij is eisers verklaring tegenstrijdig: enerzijds verklaart hij dat de ervaring met [persoon B] belangrijk voor hem was, terwijl hij anderzijds zegt dat het slechts als ‘een grap en gekkigheid’ was bedoeld. [9] Ook hiermee geeft eiser geen inzicht in zijn persoonlijke beleving.
Lhbti-bijeenkomsten8.3.4. Hoewel eiser in Nederland regelmatig lhbti-bijeenkomsten bezoekt en contact heeft met leden van de lhbti-gemeenschap, is hij er niet in geslaagd inhoudelijk te verklaren wat tijdens deze bijeenkomsten wordt besproken. Zijn verklaringen blijven ook hierover oppervlakkig en vaag. Hij kan niet uitleggen wat het voor hem betekent om in contact te staan met andere lhbti-personen, ondanks dat hij voldoende gelegenheid heeft gehad om hierover te verklaren. De stelling dat de eisen te hoog zijn, wordt niet gevolgd, aangezien eiser aantoonbaar meerdere bijeenkomsten heeft bijgewoond en contact onderhoudt binnen de lhbti-gemeenschap. Daarom valt niet in te zien waarom hij daar niet meer over zou kunnen verklaren. Bovendien zijn eisers verklaringen op dit punt onderling tegenstrijdig: eerst verklaart hij dat hij gevoelens heeft gedeeld over zowel [persoon C] als [persoon B], maar later vertelt hij dat hij slechts met [persoon B] heeft gesproken en dat zij ‘met elkaar speelden’. Deze verklaring blijft te vaag en biedt geen helder beeld van zijn gevoelens of ervaringen.
Verhouding homoseksuele gerichtheid en religie
8.3.5.
De rechtbank overweegt dat het niet op voorhand onmogelijk of tegenstrijdig is dat eiser zich zowel als homoseksueel identificeert als zichzelf religieus beschouwt. Het is voorstelbaar dat iemand zijn geloof op een persoonlijke manier interpreteert, ook wanneer die opvatting afwijkt van wat in zijn land van herkomst als gangbaar of traditioneel wordt beschouwd. Het bestaan van beide identiteiten naast elkaar is dan ook niet noodzakelijk uitgesloten. Maar de minister heeft niet ten onrechte in de besluitvorming betrokken dat in eisers verklaringen over de relatie tussen zijn homoseksuele gerichtheid en zijn geloof consistentie ontbreekt. Eerst verklaart hij dat zijn homoseksualiteit in strijd is met zijn religie, maar later stelt hij dat dit wél met zijn geloof te verenigen is. Dat is op zichzelf best voorstelbaar maar eiser licht dat niet toe. Toen eiser met deze tegenstrijdigheid werd geconfronteerd, gaf hij aan dat dit slechts is ‘wat mensen zeggen’, terwijl hij eerder zelf aangaf dit te hebben beseft. [10] Hierdoor blijft onduidelijk wat zijn eigen overtuiging is en ontstaat een inconsistent beeld van zijn houding ten aanzien van zijn geloof en seksuele gerichtheid.
Artikel 31, zesde lid, onder e, van de Vw 2000
8.4.
Eiser voldoet tot slot niet aan de voorwaarden voor het geven van het voordeel van de twijfel omdat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. [11] De rechtbank verwijst hiervoor naar haar oordeel onder 7.6.
Conclusie over de geloofwaardigheid van eisers homoseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen
8.5.
De minister heeft zich op grond van het voorgaande terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan artikel 31, zesde lid, onder c en e, van de Vw 2000. Daarom hoefde de minister niet te volgen dat eiser homoseksueel is en dat hij vanwege die gerichtheid problemen heeft gehad. De beroepsgrond faalt.
Terugkeerbesluit en inreisverbod
9. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte een terugkeerbesluit en inreisverbod heeft opgelegd. Hij kan niet terugkeren naar Nigeria vanwege zijn homoseksuele gerichtheid. Daar had de minister rekening mee moeten houden. Verder heeft eiser de minister niet langdurig misleid en heeft eiser zijn documenten niet opzettelijk vernietigd. Daar had de minister rekening mee moeten houden. De aanvraag van eiser is ten onrechte als kennelijk ongegrond afgewezen.
9.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals hiervoor is overwogen door de rechtbank, heeft de minister niet ten onrechte geconcludeerd dat eisers gestelde problemen met Boko Haram, zijn homoseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig zijn. Dit betekent dat de minister de asielaanvraag terecht heeft afgewezen en dat eiser geen rechtmatig verblijf (meer) heeft. Het standpunt van eiser dat hij niet kan terugkeren naar Nigeria vanwege zijn gerichtheid volgt de rechtbank dan ook niet.
De minister heeft verder terecht aangenomen dat eiser heeft geprobeerd de autoriteiten te misleiden over zijn geboortedatum. Eiser heeft aanvankelijk een onjuiste geboortedatum opgegeven en dit pas toegegeven nadat hij hiermee werd geconfronteerd door de vreemdelingenpolitie. [12] Dat dit nog vrij vroeg in de procedure is gebeurd, leidt niet tot een ander oordeel. Uit het nader gehoor volgt dat eiser bij aankomst in Nederland bewust de indruk heeft gewekt dat hij minderjarig was en zijn juiste geboortedatum pas bevestigde toen deze zichtbaar werd in de systemen. Tijdens het nader gehoor is hem voorgehouden dat dit de indruk wekt dat eiser zijn identiteit wilde verhullen. Eiser heeft daarop verklaard dat hij stress ervaarde in Griekenland, geen toegang kreeg tot de asielprocedure en op advies van een onbekende bij de IND heeft aangegeven minderjarig te zijn, omdat dit volgens die persoon tot snellere opvang zou leiden. [13] Eiser betwist in beroep verder niet dat hij een onjuiste geboortedatum heeft opgegeven.
Ook met betrekking tot zijn documenten heeft de minister terecht geconcludeerd dat hij zijn paspoort opzettelijk heeft vernietigd. Eiser heeft zelf verklaard dat hij zijn paspoort in Griekenland heeft verscheurd. [14] Daarmee is zijn eerdere verklaring dat het document tijdens de vlucht verloren is gegaan niet juist. Het verlies van zijn paspoort komt voor zijn eigen rekening en verantwoordelijkheid. Daarnaast is niet gebleken dat eiser tot op heden moeite heeft gedaan een nieuw paspoort aan te vragen.
9.2.
Nu eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland en hij opzettelijk onjuiste identiteitsgegevens heeft verstrekt, is de asielaanvraag terecht kennelijk ongegrond verklaard en was de minister bevoegd een terugkeerbesluit uit te vaardigen en een inreisverbod op te leggen. [15]

Conclusie en gevolgen

10. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft. Ook het terugkeerbesluit blijft in stand. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.M. Hampsink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dat staat in randnummer 3 van de gronden van beroep.
2.Verslag van het nader gehoor, pagina 8.
3.Verslag van het nader gehoor, pagina 4.
4.Verslag nader gehoor, pagina 11-12.
5.Verslag nader gehoor 30 mei 2025, pagina’s 5, 8, 10 en 21.
6.Correcties en aanvullingen van 2 juni 2025, pagina 3. Hier staat genoteerd door gemachtigde van eiser: ‘‘
7.Verslag nader gehoor, pagina 15. Zie ook zittingsaantekeningen van 21 oktober 2025.
8.Medifirst-rapport van 16 november 2024.
9.Verslag nader gehoor, pagina 16.
10.Verslag nader gehoor, pagina 17.
11.Zoals bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder e, van de Vw 2000.
12.Proces-verbaal AVIM van 15 december 2022, pagina 3. Verbalisant: ‘
13.Verslag nader gehoor, pagina 5.
14.Verslag nader gehoor, pagina 7. Eiser:
15.Dat volgt uit artikel 61 en Pro 62 van de Vw 2000 en artikel 66a van de Vw 2000.