ECLI:NL:RBDHA:2025:23765

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
25/2428
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep inzake verzoek om inzage op grond van de Wet politiegegevens

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om inzage op grond van de Wet politiegegevens (Wpg). Eiser heeft op 26 februari 2025 een verzoek om inzage gedaan bij de politie, omdat hij wil weten welke medewerker van het ziekenhuis een onjuiste mededeling over hem heeft gedaan. De politie heeft dit verzoek afgewezen op grond van artikel 27 van de Wpg, dat stelt dat inzage kan worden geweigerd ter bescherming van de rechten en vrijheden van derden. Eiser is het niet eens met deze afwijzing en stelt dat de mededeling van het ziekenhuis onjuist was, wat grote gevolgen voor hem heeft gehad.

De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 behandeld, waarbij eiser aanwezig was en verweerder niet. De rechtbank oordeelt dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat artikel 27 van de Wpg geen ruimte biedt voor een belangenafweging. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is en vernietigt dit besluit. Verweerder moet binnen zes weken na de uitspraak een nieuw besluit nemen, waarbij hij een belangenafweging moet maken tussen de belangen van eiser en de bescherming van derden. Eiser krijgt het griffierecht vergoed, maar er zijn geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/2428

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2025 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

en

de korpschef van politie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Bruinsma).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om inzage op grond van de Wet politiegegevens (Wpg). [1]
1.1.
Verweerder heeft dit verzoek met het bestreden besluit van 18 maart 2025 afgewezen. Eiser heeft hiertegen rechtstreeks beroep ingesteld. [2]
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Ook heeft verweerder stukken aan de rechtbank gezonden met een verzoek om beperkte kennisneming. [3] Eiser heeft de rechtbank toestemming verleend de stukken bij de beoordeling van het beroep te betrekken. [4]
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: eiser. Verweerder heeft laten weten niet aan de zitting te zullen deelnemen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Bij een incident waarbij eiser betrokken was op 18 maart 2022 in het [naam ziekenhuis] in [plaats] is de politie ter plaatse gekomen. Een medewerker van het ziekenhuis zou toen tegen de politie hebben gezegd dat eiser eerder al eens het ziekenhuis is uitgezet. De medewerkers van het ziekenhuis wilden gelet op de situatie geen zorg meer verlenen aan eiser. Achteraf is gebleken dat eiser nooit eerder het ziekenhuis is uitgezet en dat een eventuele mededeling hierover tegen de politie in dat geval onjuist was. Eiser heeft eerder een deel van de informatie over dit incident bij de politie kunnen inzien, maar wil nu graag ook weten welke medewerker van het ziekenhuis een dergelijke mededeling over hem heeft gedaan. Hij heeft daarom op 26 februari 2025 een verzoek om inzage gedaan bij de politie. Het verzoek ziet op de registratie met het nummer PL1500 2022105377. Verweerder heeft het verzoek om inzage in de gegevens (in het bedrijfsprocessensysteem Basisvoorziening Handhaving, BVH) afgewezen op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wpg. Deze zaak gaat over de vraag of verweerder het verzoek om inzage terecht heeft afgewezen.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn verzoek om inzage. Het is nog altijd niet duidelijk wie van het ziekenhuis een onjuiste mededeling over hem heeft gedaan tegen de politie. De raad van bestuur van het ziekenhuis heeft toegegeven dat de mededeling onjuist was, maar wil niet zeggen door wie de mededeling is gedaan. Het ziekenhuis heeft hem ten onrechte zorg geweigerd. Dit heeft heel grote medische gevolgen voor eiser gehad. Eiser wil graag kunnen aantonen om welke medewerker van het ziekenhuis het gaat, zodat het voor eens en altijd kan worden opgelost. Hij meent dat sprake is van een valse melding en wijst op artikel 188 van het Wetboek van Strafrecht. Eiser weerspreekt niet dat inzage soms kan worden beperkt, maar in het geval van een valse melding met dusdanig grote consequenties en met als gevolg dat de rechten van eiser zijn geschonden, zou inzage hem niet mogen worden geweigerd.
Wat vindt verweerder in beroep?
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de gevraagde informatie terecht is geweigerd op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wpg. Het verzoek om inzage is afgewezen gelet op de noodzaak tot bescherming van de rechten van betrokkenen of van de rechten en vrijheden van derden. Verweerder geeft geen inzage in welke medewerker van het ziekenhuis een melding over eiser heeft gedaan. Een melding moet in volledige vrijheid kunnen worden gedaan, zonder dat de melder bang moet zijn dat wat hij of zij verklaart of meedeelt door een verzoek om inzage wordt gedeeld met degene over wie de melding gaat. Artikel 27 van de Wpg is een dwingende bepaling en biedt volgens verweerder geen ruimte voor een belangenafweging. Verweerder wijst erop dat eiser eerder wel kennis heeft kunnen nemen van zijn eigen aandeel in de registratie.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Eiser heeft op zitting op indringende wijze vertelt welke gevolgen het incident op 18 maart 2022 voor hem heeft gehad en nog altijd heeft. Niet alleen op medisch vlak, maar bijvoorbeeld ook voor het (voorheen goede) contact met zijn huisarts en de politie. De rechtbank kan in deze bestuursrechtelijke procedure echter niet beoordelen of het ziekenhuis juist heeft gehandeld en kan het ziekenhuis bijvoorbeeld ook niet dwingen tot rectificatie van gegevens. De rechtbank kan in deze zaak alleen een oordeel geven over of verweerder, de korpschef van de politie, het verzoek om inzage juist heeft beoordeeld. De uitspraak beperkt zich daarom tot die vraag.
5.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat het hier gaat om politiegegevens als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van de Wpg, die vallen onder het bereik van artikel 25, eerste lid, van de Wpg. Eiser heeft in beginsel recht op inzage in die gegevens. Het recht op inzage is echter niet absoluut. Uit artikel 27, eerste lid, van de Wpg volgt dat een verzoek om inzage wordt afgewezen voor zover dit een noodzakelijke en evenredige maatregel is vanwege de in die bepaling vermelde belangen, zoals de bescherming van de rechten en vrijheden van derden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het belang, genoemd in artikel 27, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wpg, hier in het geding is en daarom moet worden betrokken bij de vraag of het verzoek van eiser moet worden ingewilligd.
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat artikel 27 van de Wgp geen ruimte biedt voor een belangenafweging. Zoals ook de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 2 november 2022 moet aan de weigering een belangenafweging ten grondslag liggen. [5] Daarbij dient het belang dat betrokkene heeft bij inzage te worden afgewogen tegen het belang van de overheid om inzage of rectificatie te weigeren. Dit heeft verweerder niet onderkend. Dit betekent dat verweerder onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de weigering om de gevraagde informatie te verstrekken noodzakelijk en evenredig is ter bescherming van de rechten en vrijheden van derden. Het bestreden besluit is op dit punt dan ook onvoldoende gemotiveerd. Dat eiser hierdoor niet in zijn belangen is geschaad, is niet evident. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren. Het bestreden besluit moet dan ook worden vernietigd.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Zij draagt verweerder niet op om het gebrek in deze procedure te herstellen met een betere motivering (een zogenoemde bestuurlijke lus). De rechtbank ziet, anders dan de Afdeling in haar uitspraak van 2 november 2022, ook geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over het verzoek om inzage te nemen, gelet op het volgende.
6.1.
Het is in de eerste plaats aan verweerder om een belangenafweging te maken, dit heeft hij in het bestreden besluit niet gedaan. Nu verweerder niet ter zitting is verschenen, heeft hij geen mondelinge toelichting kunnen geven en heeft eiser daarop ook niet kunnen reageren. In het verweerschrift heeft verweerder weliswaar vermeld dat hij zeer zorgvuldig met meldingen omgaat. Wanneer een melder iets meedeelt of verklaart doet hij dat volgens verweerder met de wetenschap dat deze verklaring of melding in volledige vrijheid kan worden gedaan, zonder te moeten leven met de vrees dat alles wat de melder verklaart of meedeelt, door een verzoek om inzage door een andere partij, betrokken bij het incident of geschil, ter kennis kan komen. Maar, de belangen die eiser heeft aangevoerd, heeft verweerder daarbij niet betrokken. Verweerder zal daarom in de nieuwe beslissing alsnog een belangenafweging moeten maken, waarbij hij de belangen die eiser heeft aangevoerd uitdrukkelijk afweegt tegen het belang om inzage te weigeren. De rechtbank merkt op dat dit niet betekent dat verweerder zonder meer gehouden is om eiser inzage te geven, dit is afhankelijk van de uitkomst van de belangenafweging.
6.2.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
6.3.
Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 18 maart 2025;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verzoek om inzage op grond van artikel 25 van de Wet politiegegevens.
2.Artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder g, in samenhang gelezen met Bijlage 1 Regeling rechtstreeks beroep (artikel 7:1, eerste lid, onderdeel g), van de Awb.
3.Artikel 8:29 van de Awb.
4.Artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.
5.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3139.