ECLI:NL:RBDHA:2025:23765
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep inzake verzoek om inzage op grond van de Wet politiegegevens
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om inzage op grond van de Wet politiegegevens (Wpg). Eiser heeft op 26 februari 2025 een verzoek om inzage gedaan bij de politie, omdat hij wil weten welke medewerker van het ziekenhuis een onjuiste mededeling over hem heeft gedaan. De politie heeft dit verzoek afgewezen op grond van artikel 27 van de Wpg, dat stelt dat inzage kan worden geweigerd ter bescherming van de rechten en vrijheden van derden. Eiser is het niet eens met deze afwijzing en stelt dat de mededeling van het ziekenhuis onjuist was, wat grote gevolgen voor hem heeft gehad.
De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 behandeld, waarbij eiser aanwezig was en verweerder niet. De rechtbank oordeelt dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat artikel 27 van de Wpg geen ruimte biedt voor een belangenafweging. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is en vernietigt dit besluit. Verweerder moet binnen zes weken na de uitspraak een nieuw besluit nemen, waarbij hij een belangenafweging moet maken tussen de belangen van eiser en de bescherming van derden. Eiser krijgt het griffierecht vergoed, maar er zijn geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.