ECLI:NL:RBDHA:2025:23756

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
NL25.24745
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag van Nigeriaanse eiser wegens ongeloofwaardige verklaringen en onvoldoende onderbouwing van asielmotieven

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 5 december 2025 uitspraak gedaan in een asielprocedure. De eiser, een Nigeriaanse man geboren in 2002, heeft een asielaanvraag ingediend die door de minister van Asiel en Migratie is afgewezen. De rechtbank heeft de zaak behandeld op 13 augustus 2025, maar eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. De minister was vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft vastgesteld dat de eiser twee asielmotieven heeft aangevoerd: bedreiging door een criminele vriendengroep en problemen die daaruit voortvloeien, en een nieuw asielmotief met betrekking tot zijn tatoeages. De rechtbank oordeelt dat de verklaringen van de eiser over het tweede asielmotief ongeloofwaardig zijn en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico loopt op ernstige schade, zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, wat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.24745

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.J. Paffen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.G.R. Becker).

Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 13 augustus 2025 op zitting behandeld. Met voorafgaande kennisgeving zijn eiser en zijn gemachtigde niet ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2002 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit.
2. Eiser heeft - samengevat - het volgende asielrelaas naar voren gebracht.
Eiser heeft verklaard dat hij in 2019 uit Nigeria is vertrokken omdat hij problemen
had met een criminele vriendengroep. Deze groep wilde eiser lid maken en heeft eiser in een zaal willen inwijden. Eiser wilde dit niet en is toen gevlucht en heeft vervolgens ruim een jaar bij de oma van een tante gewoond. Daarna is hij met een visum naar Italië gegaan naar zijn vader. In Italië heeft eiser een paar jaar rechtmatig en een paar jaar onrechtmatig gewoond. In Italië heeft eiser geen asiel aangevraagd. Eiser is bang om door te groep te worden verbrand, omdat hij tegenover een journalist van een krant heeft verklaard over deze criminele groep en er een onderzoeksrapport over de groep is uitgebracht dat online is gezet.
Het standpunt van verweerder
3. Volgens verweerder bevat het asielrelaas van eiser twee asielmotieven:
1. de identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. de bedreiging door een criminele vriendengroep en problemen naar aanleiding
hiervan.
Verweerder acht het eerste asielmotief wel geloofwaardig, maar het tweede asielmotief niet.
4. Volgens verweerder heeft eiser het tweede asielmotief niet onderbouwd met
objectieve documenten. Eisers verklaringen vormen ook geen samenhangend en aannemelijk geheel (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw). Verweerder vindt eisers verklaringen over de criminele vriendengroep summier. Ook vindt verweerder eisers verklaringen over de bijeenkomst waarbij hij zou worden ingewijd en zijn ontsnapping summier. Daarnaast blijkt volgens verweerder uit eisers verklaringen dat alles wat eiser heeft verklaard over het afgebrande familiehuis en zijn zus, op vermoedens en aannames is gebaseerd, en niet op concrete feiten of gebeurtenissen. De drie foto’s van de woning leiden volgens verweerder niet tot een ander oordeel.
Beoordeling van de beroepsgronden
Nieuw asielmotief (tatoeages)
5. Eiser heeft in beroep (op 21 juli 2025) twee foto’s van tatoeages overgelegd en
aangevoerd dat hij vanwege zijn zichtbare tatoeages een reëel en voorzienbaar risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser verwijst naar een artikel van de krant “The Guardian” uit november 2024 waaruit volgens hem blijkt dat de politie - ondanks wetgeving - nog altijd op basis van uiterlijke kenmerken (zoals tatoeages) mensen arresteert. Eiser vreest bij terugkeer onrechtmatig te worden gearresteerd op basis van een stereotypering.
6. De rechtbank merkt dit aan als een nieuw asielmotief. Het is na het bestreden besluit aangevoerd. De rechtbank moet bij de beoordeling van het beroep rekening houden met feiten en omstandigheden die na het bestreden besluit zijn aangevoerd (zie artikel 83, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw). De plicht om nieuwe asielmotieven bij de beoordeling van het beroep te betrekken, geldt echter alleen als deze gelet op nationale procedureregels tijdig zijn ingediend en daarnaast voldoende concreet zijn. Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 juli 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2073).
7. Eiser heeft het nieuwe asielmotief iets meer dan twee weken voor de zitting in beroep ingediend. Dit is volgens de nationale procedureregels tijdig. Naar het oordeel van de rechtbank is het asielmotief ook voldoende concreet, aangezien eiser foto’s met daarbij een toelichting onder verwijzing naar een krantenartikel heeft overgelegd. Dit betekent dat de rechtbank het nieuwe asielmotief bij de beoordeling zal betrekken.
Werkinstructie 2024/6
8. Eiser voert aan dat Werkinstructie 2024/6 (WI 2024/6) onvoldoende erkent dat
in zowel internationaal-, Europees- als Unierechtelijke kaders nadrukkelijk tot uitdrukking komt dat personen die om internationale bescherming verzoeken zich in een moeilijke bewijspositie bevinden, wat van invloed is op de bewijslastverdeling. De werkinstructie geeft voorts onvoldoende invulling aan de samenwerkingsplicht, een breed gedragen uitgangspunt in de internationaal- en Unierechtelijke kaders inzake de beoordeling van verzoeken om internationale bescherming. Eiser heeft in dit kader ook verwezen naar de verwijzingsuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 18 februari 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:2170) en verzocht om aanhouding van de zaak totdat het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) uitspraak heeft gedaan.
9. De rechtbank eiser niet in zijn betoog dat WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht
wat betreft de bewijslastverdeling en de invulling van de samenwerkingsplicht niet. Uit WI 2024/6 volgt naar het oordeel van de rechtbank voldoende dat verweerder ook rekening moet houden met de omstandigheid dat een vreemdeling niet altijd in staat is zijn relaas (volledig) met bewijsmateriaal te onderbouwen. In zo’n geval is er de mogelijkheid voor de vreemdeling om zijn asielmotieven op andere wijze aannemelijk te maken. Daarbij worden alle verklaringen van de vreemdeling, al het overgelegde bewijsmateriaal en alle overige omstandigheden betrokken en in samenhang beoordeeld. Net als voorheen laat verweerder dus geen stukken of verklaringen buiten beschouwing. Er is met deze werkwijze in zoverre dus geen sprake van een hogere bewijsmaatstaf die in strijd is met het internationaal- of Unierecht. Ook de samenwerkingsplicht van artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 31, tweede lid, van de Vw komt naar het oordeel voldoende tot uitdrukking in WI 2024/6. Verweerder heeft nog steeds tot taak de relevante elementen in samenwerking met de vreemdeling te beoordelen (p. 2 van WI 2024/6). Verweerder werkt actief met de vreemdeling samen om de relevante feiten en omstandigheden te bepalen en aan te vullen, bijvoorbeeld door vragen te stellen tijdens de gehoren, documenten te (laten) onderzoeken of een taalanalyse te (laten) verrichten (p. 3 van WI 2024/6). De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om deze zaak aan te houden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen van 18 februari 2025. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in deze zaak een juiste geloofwaardigheidsbeoordeling verricht.
10. De beroepsgrond slaagt niet.
Geloofwaardigheid tweede asielmotief
11. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat zijn
verklaringen over het tweede asielmotief (de bedreiging door een criminele vriendengroep en problemen naar aanleiding hiervan) ongeloofwaardig zijn. In de eerste plaats stelt eiser dat hij voldoende heeft verklaard over de bende. Eiser heeft immers verklaard dat het om een “Tout” bende gaat. Dit is niet de naam van de bende, maar het soort bende. Verder blijkt uit de algemene bronnen, waarnaar eiser in de zienswijze heeft verwezen, om wat voor soort bendes het gaat. Eisers verklaringen over de bende komen overeen met de informatie in deze bronnen. Verder heeft eiser een inschatting gegeven van de hoeveelheid contactmomenten met deze bende. Hij zag ze vaak bij het voetbalveld en daar was hij vijf keer in de week.
12. Verweerder heeft ter zitting erkend dat de tegenwerping dat eiser geen naam van de bende heeft kunnen noemen niet sterk is. De rechtbank laat dit argument daarom buiten beschouwing en zal ingaan op de andere argumenten die verweerder heeft gebruikt om te onderbouwen dat eisers verklaringen over de bende niet samenhangend en niet aannemelijk zijn.
13. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser er niet is geslaagd essentiële informatie te verschaffen over de bende. Zo heeft eiser niet inzichtelijk kunnen maken hoe vaak hij deze groep heeft ontmoet, wie hoge bekende mensen binnen deze groep zijn en wie de leider van de groep is. Eiser heeft aanvankelijk verklaard niet te weten hoe vaak hij de groep heeft ontmoet, omdat de leden uit zijn dorp kwamen, maar later heeft eiser verklaard dat hij de groep vijf keer per week bij het voetbalveld zag, maar dat hij de leden van de groep dan niet sprak. Verweerder heeft dit aan eiser kunnen tegenwerpen nu het de kern van eisers asielrelaas betreft en eiser zelf herhaaldelijk heeft verklaard veel over de groep te weten en hij heeft gesteld uit hetzelfde dorp te komen. Eiser heeft uiteindelijk, nadat hij eerder tijdens het gehoor niet hierover heeft kunnen verklaren, enkele namen van leden van de groep kunnen noemen (pagina 15 van het rapport nader gehoor). Verweerder heeft dit ontoereikend kunnen achten. De verwijzing in de zienswijze naar twee informatiebronnen op internet leidt niet tot een ander oordeel, nu het hier algemene informatie betreft die niet specifiek in verband kan worden gebracht met de groep waarover eiser heeft verklaard. Evenmin vormt deze informatie een voldoende onderbouwing van eisers verklaringen over de gestelde problemen.
14. Eiser blijft in beroep bij zijn standpunt dat hij niet meer kan verklaren over de bijeenkomst van de groep waarbij hij zou zijn bedreigd en over de ontsnapping met behulp van een lid van de groep (Steven).
15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eisers verklaringen op dit punt niet ten onrechte summier geacht. Eiser heeft verklaard dat hij in april 2018 door de criminele groep is benaderd om deel te gaan uitmaken van deze groep en dat hij hierop afwijzend heeft gereageerd omdat hij dan iemand zou moeten vermoorden. Over de bewuste bijeenkomst heeft eiser - kort gezegd - alleen verklaard dat hij is benaderd voor een feest, naar een zaal is gelokt, en dat hij was verrast de bende daar aan te treffen. Daarnaast heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser er niet in is geslaagd een gedetailleerd inzicht te geven in het moment van zijn ontsnapping aan de bende. Eiser heeft alleen verklaard dat de ‘brother’ (Steven) de weg voor eiser had vrijgemaakt via de achterdeur en dat hij vervolgens naar het dorp is gegaan. Verweerder heeft van eiser kunnen verlangen dat hij op detailniveau over deze gebeurtenissen zou kunnen verklaren, nu het hier gaat om de kern van zijn asielrelaas. Tijdens het gehoor heeft de gehoormedewerker eiser herhaaldelijk verzocht nader op deze gebeurtenissen in te gaan, maar dat heeft eiser nagelaten.
16. Ten aanzien van het verbrande familiehuis voert eiser aan dat de mogelijkheid dat het wel gaat om een gerichte aanval op eiser persoonlijk is niet is uit te sluiten. Eisers vermoeden is volgens hem echter geen argument om de gebeurtenissen ongeloofwaardig te achten. Eiser verwijst naar de drie overgelegde foto’s van het afgebrande huis.
17. Eiser erkent dat niet kan worden vastgesteld dat de brand in het familiehuis het gevolg is van eisers problemen met de criminele groep. Verweerder heeft niet ten onrechte uit eisers verklaringen afgeleid dat deze verklaringen uitsluitend op vermoedens zijn gebaseerd. Eiser heeft geen objectieve bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt wat de oorzaak is geweest van de brand en wie de brand heeft gesticht. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de overgelegde foto’s eisers verklaringen niet alsnog samenhangend en aannemelijk maken. Het is namelijk niet duidelijk wanneer, waar en in welk context deze foto’s zijn gemaakt.
Reëel risico op ernstige schade
18. Eiser heeft ook nog aangevoerd dat hij vanwege zijn tatoeages een reëel risico op ernstige schade loopt. Hij vreest bij terugkeer onrechtmatig te worden gearresteerd op basis van een stereotypering en verwijst hiervoor naar een krantenartikel.
19. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser hiermee niet aannemelijk gemaakt dat hij – alleen vanwege zijn tatoeages – het risico loopt op een schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De enkele stelling dat uit “een artikel” van The Guardian volgt dat de politie op basis van uiterlijke kenmerken mensen arresteert, is hiervoor onvoldoende. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

20. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen over het tweede asielmotief (de bedreiging door een criminele vriendengroep en problemen naar aanleiding hiervan) ongeloofwaardig zijn. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn tatoeages een reëel risico op ernstige schade loopt. Gezien het voorgaande heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij voor vervolging heeft te vrezen dan wel dat hij bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico loopt als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.
21. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van P. Deinum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.