In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 13 november 2025, onder zaaknummer SGR 25/3741, wordt het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een uitkering uit het Schadefonds geweldsmisdrijven beoordeeld. Eiser, wiens dochter slachtoffer is geworden van een zedenmisdrijf, heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering uit het Schadefonds. De aanvraag werd door de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven afgewezen, omdat niet aannemelijk was gemaakt dat het psychisch letsel van de dochter blijvend is. Eiser is van mening dat de impact van het misdrijf op zowel hem als zijn dochter aanzienlijk is, en dat dit rechtvaardigt dat hij in aanmerking komt voor een uitkering.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de afwijzing van de aanvraag door verweerder terecht was. De rechtbank oordeelt dat, hoewel het psychisch letsel van de dochter ernstig is, er geen bewijs is dat dit letsel blijvend is. De rechtbank wijst erop dat de dochter nog in behandeling is en dat het goed voorstelbaar is dat haar situatie kan verbeteren met de juiste hulp. De rechtbank concludeert dat de hoge lat voor de ernst van het psychisch letsel niet is gehaald en verklaart het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven.