ECLI:NL:RBDHA:2025:23675

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 november 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
25/3840
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag uitkering Schadefonds geweldsmisdrijven voor minderjarige eiser

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 10 november 2025, wordt het beroep van een minderjarige eiser, wettelijk vertegenwoordigd door zijn vader, tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een uitkering uit het Schadefonds geweldsmisdrijven beoordeeld. De aanvraag was afgewezen door de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij slachtoffer was van of getuige was geweest van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. De vader van eiser had de aanvraag ingediend naar aanleiding van incidenten waarbij de moeder van eiser, onder invloed, bedreigingen had geuit en vernielingen had aangericht. De rechtbank concludeert dat er onvoldoende objectieve informatie is die aantoont dat eiser daadwerkelijk getuige is geweest van een geweldsmisdrijf. De rechtbank oordeelt dat de afwijzing van de aanvraag door verweerder terecht is, en verklaart het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/3840

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,wettelijk vertegenwoordigd door zijn vader [naam] ,

(gemachtigde: mr. P. van Baaren),
en

de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Himdi).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een uitkering uit het Schadefonds geweldsmisdrijven.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 18 december 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 2 mei 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank Rotterdam heeft bij beslissing van 3 juni 2025 de zaak naar deze rechtbank verwezen. De rechtbank heeft partijen uitgenodigd voor een mondelinge behandeling van het beroep op 21 oktober 2025. Partijen hebben laten weten niet aan de zitting te zullen deelnemen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. De vader van de minderjarige eiser heeft op 12 december 2024 namens zijn zoon een aanvraag gedaan voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven. De vader heeft de aanvraag gedaan omdat zijn ex-partner, de moeder van eiser, verschillende keren bij hun thuis onder invloed aan de deur heeft gestaan en daar veel commotie heeft veroorzaakt. Zo heeft zij de vader met een mes bedreigd. Eiser is daar volgens de vader getuige van geweest. Eiser heeft nog altijd veel last van het gedrag van zijn moeder. Deze zaak gaat over de vraag of verweerder de aanvraag voor een uitkering uit het Schadefonds heeft kunnen afwijzen, omdat eiser geen slachtoffer is van, of getuige geweest van, een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf.
Wat vindt eiser in beroep?
3. De vader van eiser is het er niet mee eens dat zijn zoon geen uitkering krijgt. Hij stelt zich op het standpunt dat het besluit in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Eiser is langdurig getuige geweest van huiselijk geweld, maar is zelf ook slachtoffer omdat hem geestelijk letsel is bezorgd als gevolg van de intimidaties door de moeder. Het staat vast dat zij bij hun woonadres vernielingen aanricht, staat te schreeuwen en dat zij handelt in strijd met het contact- en straatverbod. Eiser is hier steeds getuige van geweest. Er is ook voldoende grond om aan te nemen dat hij hier last van heeft gehad. Anders dan verweerder stelt, is de uitkering die de vader zelf heeft gekregen van het Schadefonds niet alleen voor de bedreiging met een mes, maar ook voor het overige gedrag gepleegd door de moeder.
Wat vindt verweerder in beroep?
4. Verweerder onderschrijft dat eiser een moeilijke periode heeft doorgemaakt en dat de afwezigheid van zijn moeder hem aanzienlijk heeft beïnvloed. Hij stelt zich op het standpunt dat hij de aanvraag voor een uitkering desalniettemin terecht heeft afgewezen. Verweerder wijst erop dat er in deze zaak geen objectieve informatie beschikbaar is waaruit blijkt dat eiser slachtoffer is geworden van een misdrijf, dat hij daar getuige van is geweest, of dat sprake is geweest van stelselmatig huiselijk geweld. Uit de overgelegde verklaring van de kindercoach blijkt niet dat eiser in behandeling is bij een gekwalificeerde psycholoog voor de gevolgen van het waarnemen van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Een slachtoffer dat ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft opgelopen door een in Nederland gepleegd geweldsmisdrijf, kan verzoeken om een uitkering uit het Schadefonds. [1] Het Schadefonds kent ook uitkeringen toe voor psychisch letsel dat iemand oploopt door getuige te zijn van een gewelds- of zedenmisdrijf of direct geconfronteerd te zijn met de gevolgen van een gewelds- of zedenmisdrijf. Verder kent het Schadefonds ook uitkeringen toe aan bijvoorbeeld minderjarigen die huiselijk geweld stelselmatig waarnemen. Een uitkering is een financiële tegemoetkoming, die uiting geeft aan solidariteit van de samenleving met het slachtoffer.
5.2.
Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling is het aan de aanvrager van een uitkering uit het Schadefonds om met voldoende objectieve aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij slachtoffer is (of getuige geweest) van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. [2] Alleen de eigen verklaring van de aanvrager is onvoldoende voor het vaststellen van de aannemelijkheid, en moet gelet op het beleid worden ondersteund met objectieve informatie. [3]
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij slachtoffer is van, of getuige is geweest van, een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Eiser heeft een samenvatting van de kindercoach van 13 september 2023 en een brief van 21 januari 2025 met onderwerp ‘Toezicht en/of vrijheidsbeperkende maatregelen’ overgelegd. Verweerder heeft om de aanvraag van eiser te kunnen beoordelen informatie opgevraagd via het Slachtofferloket Rotterdam. Hij heeft de verschillende mutatierapporten van de politie die hij heeft ontvangen en de door eiser overgelegde stukken bij de beoordeling betrokken.
Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat uit de mutatierapporten niet volgt dat eiser zelf slachtoffer is, of getuige is geweest, van een geweldsmisdrijf. Er hebben zich weliswaar verschillende incidenten voorgedaan, maar dat zich een geweldsmisdrijf heeft voorgedaan waarbij eiser aanwezig is geweest, kan niet uit de stukken worden opgemaakt. Zo staat in het mutatierapport van 14 juni 2023 dat de moeder (vermoedelijk psychotisch) met een broodmes bij de woning stond, maar dat het zoontje niets heeft meegekregen van het voorval. In het mutatierapport van 21 april 2024 wordt vermeld dat de moeder een week eerder met een mes zou hebben rondgelopen door het huis. Dat eiser daarbij aanwezig was, blijkt niet uit het mutatierapport. Dat eiser getuige is geweest van een geweldsmisdrijf valt ook niet af te leiden uit de brief van 21 januari 2025 over het contact- en locatieverbod. De eigen verklaringen door de vader van eiser (bijvoorbeeld tijdens de hoorzitting van 28 maart 2025) dat de moeder in december en januari heel bedreigend langs is gekomen en eiser daar zeker vijf keer wat van heeft meegekregen, volstaan niet als objectieve informatie en zijn daarom geen afdoende onderbouwing. Uit de stukken blijk daarnaast ook niet dat sprake is van stelselmatig huiselijk geweld waar eiser getuige van is geweest. Dit volgt ook niet uit de verklaring van de kindercoach, waaruit met name volgt dat eiser naar zijn moeder vraag nu zij niets van zich laat horen.
Anders dan eiser, heeft zijn vader wel een tegemoetkoming gehad, verweerder noemt voor de bedreiging met een mes door de moeder op 12 april 2024. Eiser stelt dat deze uitkering óók ziet op het overige gedrag door de moeder. Waarvoor de vader een uitkering heeft ontvangen doet volgens de rechtbank echter niet terzake, nu uit de stukken in het geheel niet valt af te leiden dat eiser getuige is geweest van enig geweldsmisdrijf.
5.4.
De rechtbank begrijpt dat de situatie voor zowel de vader als voor eiser moeilijk moet zijn, zeker gelet op de jonge leeftijd van eiser. Maar gelet op wat hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de aanvraag voor een uitkering heeft kunnen afwijzen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 3 van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3478.
3.Paragraaf 1.1.4 van de Beleidsbundel, ‘Aannemelijkheid’.