ECLI:NL:RBDHA:2025:23673
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens onredelijk late indiening tegen uitblijven beslissing op bezwaar
Eiser had op 8 mei 2021 een inzageverzoek ingediend bij de minister van Financiën inzake gegevens in de Fraude Signalering Voorziening (FSV). Na een eerdere onvolledige beslissing en een daaropvolgend bezwaar, vernietigde de rechtbank op 17 november 2023 het besluit van 6 april 2022 en bepaalde dat verweerder binnen zes weken een nieuw besluit moest nemen.
Verweerder stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak, maar nam geen nieuw besluit binnen de gestelde termijn. Eiser stelde daarop op 20 maart 2025 beroep in wegens het uitblijven van een nieuwe beslissing. De rechtbank moest beoordelen of dit beroep niet-ontvankelijk was wegens onredelijk late indiening.
De rechtbank oordeelde dat verweerder uiterlijk op 8 januari 2024 een nieuw besluit had moeten nemen. Eiser stuurde op 10 januari 2024 een ingebrekestelling, maar wachtte vervolgens ruim 14 maanden voordat hij beroep instelde. Omdat op of rond 16 juli 2024 telefonisch was meegedeeld dat geen nieuw besluit zou worden genomen en eiser vanaf dat moment geen nieuw besluit meer mocht verwachten, was het beroep op 20 maart 2025 onredelijk laat ingediend.
Eiser kon niet aantonen dat er na deze mededeling nog contact was met verweerder of dat hij spoedig een besluit kon verwachten. Ook het argument dat de Afdeling bestuursrechtspraak de behandeling van het hoger beroep nog lang zou laten duren, rechtvaardigde geen latere indiening. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en wees het griffierecht en proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onredelijk late indiening.