ECLI:NL:RBDHA:2025:23644

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
09/216778-24
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor het medeplegen van opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Op 26 november 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in de strafzaak tegen een verdachte die op 4 juli 2024 in 's-Gravenhage samen met een ander iemand wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en deze heeft bedreigd. De verdachte, geboren in 2005, werd beschuldigd van het dwingen van de aangever om in de kofferbak van een auto te stappen, waarna hij met de auto is weggereden. De rechtbank heeft het bewijs beoordeeld, waaronder de verklaringen van de aangever en getuigen, en kwam tot de conclusie dat de verdachte de aangever op onmiskenbare wijze heeft bedreigd met de dood. De rechtbank achtte de verklaringen van de aangever geloofwaardig en consistent, ondanks de verdediging die vrijspraak bepleitte. De rechtbank oordeelde dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van opzettelijke vrijheidsberoving en bedreiging. De officier van justitie had een taakstraf van 160 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden geëist. De rechtbank legde uiteindelijk een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand op, met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf van 160 uren. De rechtbank benadrukte de ernst van de feiten en de impact op de aangever, die als minderjarige werd beschouwd.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/216778-24
Datum uitspraak: 26 november 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 12 november 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. Z. Benguedda en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. S. Bhulai naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 4 juli 2024 te ‘s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [aangever] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door die [aangever] te dwingen in de kofferbak van een auto (Toyota Yaris met kenteken [kenteken] ) plaats te nemen, de kofferbak van die auto dicht te doen en af te sluiten en (vervolgens) met die auto te gaan rijden, waardoor die [aangever] werd belet die auto te verlaten;
2
hij op of omstreeks 4 juli 2024 te ‘s-Gravenhage slachtoffer heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [aangever] dreigend de woorden toe te voegen "Als je niet mee loopt dan maak ik jou kankerdood” en/of “Ik maak je dood" en/of “Als jullie nog iets doen, krijgen jullie een kogel in jullie hoofd”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak van het onder 1 en 2 tenlastegelegde bepleit.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2024212471, van de politie Eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 130).
t.a.v. feit 1 en 2
1. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 12 november 2025, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik [aangever] op 4 juli 2024 in het centrum heb gezien. Toen kregen we een woordenwisseling en liep het uit de hand. We hadden elkaar vast. Later zag ik mijn moeder en [aangever] . Het klopt dat ik met [aangever] naar de auto ben gelopen. Ik heb gezegd dat hij in de kofferbak moest gaan zitten. Achteraf als ik dit hoor, kan ik mij voorstellen dat [aangever] bang is geweest. Ik snap dat hij zich gedwongen heeft gevoeld om in de kofferbak te gaan zitten. Ik denk dat hij zich benauwd heeft gevoeld.
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , met bijlagen, opgemaakt op 6 juli 2024, voor zover inhoudende (p. 100-104):
V: Dus 4 juni 2024.
A: Ik liep met drie vrienden in het centrum van Leidschenveen Ypenburg. Toen er opeens een jongens op mij af kwam lopen ter hoogte van de Hoogvliet. [verdachte] keek mij toen aan en zei "Als je niet mee loopt dan maak ik jou kankerdood". Ik ging richting de Engelse tuinen. Er kwam toen ineens een onbekende vrouw naar mij toe die ging naast mij zitten. Ik kwam er later achter dat dit de moeder van [verdachte] is. De moeder zei tegen mij "Meelopen". [verdachte] pakte mij weer met twee handen vast bij mijn kraag en hij zei "Niemand is hier, dus nu moet je wel meewerken". [verdachte] en de moeder begonnen mij te duwen en ze zeiden meerdere malen "Meelopen". [verdachte] zei bijvoorbeeld "anders schiet ik je dood". Ik we
rkte mee omdat ik bang was en ik zag dat zij mij in de richting van een blauwe auto duwde, waar de kofferbak van openstond. Ze zeiden dat ik moest instappen in de kofferbak. Omdat ik bang was ben ik onder begeleiding in de kofferbak gestapt. De moeder gooide kofferbak dicht. Voordat we gingen rijden hoorde ik de moeder zeggen " [verdachte] rijd achter mij aan". Toen voelde ik dat de auto ging rijden.
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 4 juli 2024, voor zover inhoudende (p. 59-61):
Op donderdag 07 juli 2024 (
de rechtbank begrijpt: 04 juli 2024), hoorde ik, verbalisant, een melding van vrijheidsberoving 's-Gravenhage. Ik, verbalisant, reed naar de Ypenburgse Boslaan. Ik zag dat er in het parkeervak een blauwkleurige personenauto geparkeerd stond van het merk Toyota, type Yaris Cross en voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken] . Ik, verbalisant, zag dat er een persoon, een man, in de kofferbakruimte van de voornoemde Toyota zat. Ik zag dat de man naar mij zwaaide. De man bleek te zijn genaamd: [aangever] . Ik, verbalisant, vroeg [aangever] wat er was gebeurd en waarom hij in de kofferbak zat. Ik hoorde dat [aangever] , zakelijk en relevant weergegeven, het volgende verklaarde: "Ik ben door de broer van een van de meisjes bedreigd met de tekst 'Ik maak je kankerdood' en daarna in de kofferbak geduwd. Terwijl de afhandeling van de melding ter plaatse bezig was, zag ik, verbalisant, dat er twee personenauto's de parkeerplaats opreden. Ik zag dat één van die personenauto's een zwartkleurige Volkswagen was van het type Polo. Het viel mij op dat er twee personen, mannen, uit de Volkswagen Polo stapten. Ik zag dat één van hen een witkleurig t-shirt aan had. Ik hoorde dat [aangever] het volgende over de man met het witte t-shirt zei: "Hij heeft mij met de dood bedreigd." Deze jongen is op een later moment aangehouden.
t.a.v. feit 1
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 4 juli 2024, voor zover inhoudende (p. 65-66):
Ik hoorde dat wij het verzoek kregen om te gaan naar de parkeerplaats van Zwembad Hofbad in 's Gravenhage. Hier was het verhaal dat melder ontvoerd was en in een kofferbak van een auto zou liggen. Melder bleek [aangever] te zijn. [aangever] verklaarde dat hij mee moest lopen met [verdachte] en zijn moeder, [naam] , en dat hij bang was en mee liep. [aangever] verklaarde dat hij in de auto moest stappen. [aangever] verklaarde dat hij in de kofferbak moest klimmen. Hierbij zou hij geholpen zijn door [verdachte] met kracht. [aangever] verklaarde dat [naam] gezegd zou hebben dat hij moest luisteren. [aangever] verklaarde dat hij bang was en in de kofferbak was gestapt. [aangever] verklaarde dat hij bang was en in de kofferbak was gestapt, terwijl hij geholpen werd door [verdachte] . [aangever] verklaarde dat zij gingen rijden.
t.a.v. feit 2
5. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , opgemaakt op 4 juli 2024, voor zover inhoudende (p. 86-87):
Op donderdag 4 juli 2024 ongeveer 14.00 uur was ik aan het werk in de Hoogvliet te Ypenburg. Ik liep naar de ingang toe en ik zag dat er een conflict was tussen twee jongens voor de ingang van de winkel. Ik hoorde dat de dader het slachtoffer bleef intimideren. Ik hoorde dat het slachtoffer zei dat hij door de dader was bedreigd met "ik maak je dood".
3.4.
Bewijsoverwegingen
Inleiding
Op grond van het procesdossier en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast. Op 4 juli 2024 is er bij de politie een melding binnengekomen van de aangever [aangever] dat hij achterin een auto zit en ontvoerd is. De aangever heeft kans gezien de politie te bellen op het moment dat de auto stil stond op de parkeerplaats bij het Hofbad. De politie is ter plaatse gegaan en aldaar hebben ze de aangever aangetroffen in de kofferbak van de door hem omschreven auto.
De rechtbank moet beoordelen of de verdachte de aangever wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd en of hij hem heeft bedreigd.
Betrouwbaarheid verklaringen
Aangezien de raadsvrouw de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangever heeft betwist, ziet de rechtbank zich in de eerste plaats voor de vraag gesteld of deze verklaringen als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt en aldus tot het bewijs kunnen worden gebezigd. De aangever heeft voorafgaand aan zijn aangifte verklaard over wat hem is overkomen tegen de verbalisanten die na de melding ter plaatse kwamen en getuige [getuige] .
De rechtbank ziet, anders dan de raadsvrouw, geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid en de juistheid van de verklaringen van de aangever. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verklaringen allemaal direct of kort na het tenlastegelegde zijn afgelegd en elkaar ondersteunen op wezenlijke onderdelen. De verklaringen zijn wat betreft het tenlastegelegde ook consistent. Het feit dat de aangever verklaart dat de auto ongeveer twintig minuten heeft gereden, terwijl dit er maar vijf waren, doet hier niet aan af. In een angstige situatie kan het besef van tijd immers vervormen. Voorts is de verklaring van de aangever dat hij geholpen werd door [verdachte] terwijl hij in de kofferbak stapte, naar het oordeel van de rechtbank niet tegenstrijdig met de verklaring dat hij onder dwang met bedreigingen in de kofferbak is gezet. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verklaringen voldoende betrouwbaar en consistent zijn en voor het bewijs kunnen worden gebezigd.
Wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 1)
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de aangever wederrechtelijk van zijn vrijheid is beroofd. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het voor de aangever niet onmogelijk was om zich te verplaatsen, omdat hij uit de auto kon stappen en weg kon lopen.
Uit de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de aangever door de verdachte en de medeverdachte is benaderd. Ze hebben hem op onmiskenbaar bedreigende wijze duidelijk gemaakt dat hij mee moest komen naar de auto en in de kofferbak moest gaan zitten. Dat de aangever zich hiertoe gedwongen voelde, snapt de verdachte naar eigen zeggen ook. Doordat de medeverdachte vervolgens met de auto is gaan rijden, heeft de aangever niet de vrijheid gehad de kofferbak te verlaten. Dat dit eventueel wel een mogelijkheid was vanaf het moment dat de auto stil stond op de parkeerplaats bij het Hofbad, doet hier niet aan af. Dit moment is namelijk niet ten laste gelegd. Overigens lijkt ook op dat moment nog sprake te zijn geweest van een dreigende situatie, omdat de medeverdachte met meerdere mensen buiten de auto aan het overleggen was en zij de aangever had bevolen in de auto te blijven zitten. Gelet op de lage drempel die in de jurisprudentie wordt aangehouden met betrekking tot de vraag of (zeer) korte beperkingen van de bewegingsvrijheid als vrijheidsberoving in de zin van artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht kunnen worden aangemerkt, laat het feit dat de vrijheidsberoving een relatief korte tijd heeft geduurd onverlet dat de aangever op een plaats heeft vertoefd, waarvan of waaruit hij zich niet op ieder gewenst ogenblik kon verwijderen. De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan
Bedreiging (feit 2)
Zoals hiervoor overwogen acht de rechtbank de verklaringen van de aangever geloofwaardig en bezigt zij deze tot het bewijs. Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat – voorafgaand aan het moment dat de aangever gedwongen werd in de kofferbak van de auto plaats te nemen – er sprake is geweest van een woordenwisseling tussen de aangever en de verdachte, waarbij ze elkaar ook vast hadden. Dat de aangever op dat moment door de verdachte met de dood is bedreigd, vindt steun in het feit dat de aangever direct na het voorval tegen getuige [getuige] verklaart met de dood te zijn bedreigd. Ook tegen een verbalisant, die na de melding van de aangever ter plaatse komt, verklaart de aangever bij het zien van de verdachte direct dat hij hem met de dood heeft bedreigd. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de aard van de ten laste gelegde uitlatingen van de verdachte in de gegeven omstandigheden een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht opleveren. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 4 juli 2024 te ‘s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [aangever] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door die [aangever] te dwingen in de kofferbak van een auto (Toyota Yaris met kenteken [kenteken] ) plaats te nemen, de kofferbak van die auto dicht te doen en af te sluiten en (vervolgens) met die auto te gaan rijden, waardoor die [aangever] werd belet die auto te verlaten;
2
hij op 4 juli 2024 te ‘s-Gravenhage
hetslachtoffer heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [aangever] dreigend de woorden toe te voegen "Als je niet mee loopt dan maak ik jou kankerdood” en “Ik maak je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt tot een taakstraf van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht en tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van drie jaren.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om aan de verdachte een geheel voorwaardelijke straf of een geldboete op te leggen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder die zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met de medeverdachte schuldig gemaakt aan de ontvoering van [aangever] door hem te dwingen in de kofferbank van een auto plaats te nemen en vervolgens met die auto te gaan rijden. Hierdoor heeft [aangever] zich niet kunnen verwijderen van de plaats waar hij zich bevond. Dat levert een ernstige inbreuk op de bewegingsvrijheid en lichamelijke integriteit van die [aangever] op. Daarnaast heeft de verdachte de aangever eerder op die dag al bedreigd. Dat dit alles voor de minderjarige [aangever] erg angstig moet zijn geweest, beaamt ook de verdachte zelf. Dat de bedoeling van het handelen van de verdachte en de medeverdachte was dat [aangever] naar het politiebureau werd gebracht, zodat onderzoek kon worden gedaan naar beweerdelijk strafbaar handelen van [aangever] , zoals de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard, rechtvaardigt geenszins het handelen van de verdachte. De verdachte heeft met zijn handelen het recht in eigen hand genomen en heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan een bijzonder verwerpelijke vorm van eigenrichting. Dit neemt de rechtbank de verdachte kwalijk.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 3 oktober 2025. De verdachte is niet eerder voor soortgelijke feiten met politie en justitie in aanraking gekomen.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 24 juli 2025, waaruit volgt dat er geen sprake is van problematiek en van een laag recidiverisico. Interventies vanuit de reclassering zijn niet geïndiceerd.
Strafoplegging
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij wat in soortgelijke gevallen doorgaans wordt opgelegd. De rechtbank is alles overwegende van oordeel dat voor de bewezen verklaarde strafbare feiten, rekening houdend met de aard en ernst daarvan als hiervoor omschreven, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren, in combinatie met een taakstraf van 160 uren, te vervangen door 80 dagen hechtenis, passend en geboden is. De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf noodzakelijk, omdat het conflict tussen (de familie van) de verdachte en de aangever, dat aan het strafbare feit ten grondslag heeft gelegen, kennelijk nog niet is opgelost. Anderzijds is de voorwaardelijke gevangenisstraf passend om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 282, 285 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals die ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;
ten aanzien van feit 2:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
1 (EEN) MAAND;
bepaalt dat die straf, groot
1 (EEN) MAAND, niet zal worden ten uitvoer gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een taakstraf voor de tijd van
160 (HONDERDZESTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van
80 (TACHTIG) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.L.E. Bakels, voorzitter,
mr. V.J. de Haan, rechter,
mr. S.S. Buisman, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. F.A.M. Schuijt, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 november 2025.