ECLI:NL:RBDHA:2025:23640

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
09/216777-24
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor het medeplegen van opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden

Op 26 november 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van het medeplegen van opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden. De zaak betreft een incident dat plaatsvond op 4 juli 2024 in 's-Gravenhage, waarbij de verdachte samen met een medeverdachte de aangever, [aangever], heeft gedwongen om in de kofferbak van een auto te stappen. De rechtbank heeft op basis van het onderzoek ter terechtzitting en de vordering van de officier van justitie, mr. Z. Benguedda, geoordeeld dat de verdachte schuldig is aan het onder 1 ten laste gelegde feit, maar heeft de verdachte vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde feit van mishandeling, omdat niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat de aangever pijn of letsel heeft ervaren.

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand en een taakstraf van 200 uur. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstige inbreuk op de bewegingsvrijheid en lichamelijke integriteit van de aangever, wat voor deze laatste erg angstig moet zijn geweest. De verdachte heeft verklaard dat zij de aangever naar het politiebureau wilde brengen, maar de rechtbank oordeelt dat dit het handelen van de verdachte niet rechtvaardigt. De rechtbank heeft ook het strafblad van de verdachte meegewogen, waaruit blijkt dat zij eerder is veroordeeld voor geweld tegen politieagenten.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/216777-24
Datum uitspraak: 26 november 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] , [postcode] te [woonplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 12 november 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. Z. Benguedda en van hetgeen door de verdachte en haar raadsman mr. W.B.M. Bos naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
zij op of omstreeks 4 juli 2024 te ‘s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [aangever] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door die [aangever] te dwingen in de kofferbak van een auto (Toyota Yaris met kenteken [kenteken] ) plaats te nemen, de kofferbak van die auto dicht te doen en af te sluiten en (vervolgens) met die auto te gaan rijden, waardoor die [aangever] werd belet die auto te verlaten;
2
zij op of omstreeks 4 juli 2024 te ‘s-Gravenhage [aangever] heeft mishandeld door die [aangever] , meermalen, althans eenmaal, met gebalde vuist op/tegen zijn hoofd te slaan.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en heeft vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde bepleit.
3.3.
Vrijspraak (feit 2)
De rechtbank is met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen. De term mishandeling omvat niet alleen opzet, maar ook het gevolg. Vast moet dus staan dat pijn of letsel is opgetreden door het handelen van de verdachte. Hoewel de rechtbank de overtuiging heeft dat de verdachte de aangever [aangever] (hierna: [aangever] ) heeft geslagen, kan op basis van wettige bewijsmiddelen niet worden vastgesteld dat de aangever hierdoor pijn heeft ervaren of letsel heeft opgelopen. Omdat niet is gebleken van pijn of letsel als gevolg van het slaan, zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van het onder 2 tenlastegelegde.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen (feit 1)
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2024212471, van de politie Eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 130).
1. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 12 november 2025, voor zover inhoudende:
Ik was op 4 juli 2024 op zoek naar [aangever] . Ik ging van 0 naar 1000 in mijn emotie door boosheid en frustratie en zei dat hij mee moest naar mijn auto. Ik snap dat hij zich gedwongen voelde door de omstandigheden. Dat was ook de bedoeling. Ik zei: “je gaat nu in de kofferbak zitten”. Mijn zoon [naam] was hier inderdaad bij aanwezig. Toen heb ik de auto naar de parkeerplaats bij het Hofbad gereden. Ik wilde wat op een rijtje zetten voor mijzelf; het is me nogal wat wat we aan het doen waren. Het klopt dat [aangever] de hele tijd dat we stilstonden bij het Hofbad in de kofferbank zat. Hij vroeg wel of hij eruit mocht, maar ik zei dat dit niet mocht.
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , met bijlagen, opgemaakt op 6 juli 2024, voor zover inhoudende (p. 100-104):
V: Dus 4 juni 2024.
A: De moeder zei tegen mij "Meelopen". [naam] pakte mij weer met twee handen vast bij mijn kraag en hij zei "Niemand is hier, dus nu moet je wel meewerken". [naam] en de moeder begonnen mij te duwen en ze zeiden meerdere malen "Meelopen". [naam] zei bijvoorbeeld "anders schiet ik je dood". Ik we
rkte mee omdat ik bang was en ik zag dat zij mij in de richting van een blauwe auto duwde, waar de kofferbak van openstond. Ze zeiden dat ik moest instappen in de kofferbak. Omdat ik bang was ben ik onder begeleiding in de kofferbak gestapt. De moeder gooide kofferbak dicht. Toen voelde ik dat de auto ging rijden.
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 4 juli 2024, voor zover inhoudende (p. 59-61):
Op donderdag 07 juli 2024 (
de rechtbank begrijpt: 04 juli 2024), hoorde ik, verbalisant, een melding van vrijheidsberoving 's-Gravenhage. Ik, verbalisant, reed naar de Ypenburgse Boslaan. Ik zag dat er in het parkeervak een blauwkleurige personenauto geparkeerd stond van het merk Toyota, type Yaris Cross en voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken] . Ik, verbalisant, zag dat er een persoon, een man, in de kofferbakruimte van de voornoemde Toyota zat. Ik zag dat de man naar mij zwaaide. De man bleek te zijn genaamd: [aangever] . Ik vroeg [aangever] wat er was gebeurd en waarom hij in de kofferbak zat. Ik hoorde dat [aangever] , zakelijk en relevant weergegeven, het volgende verklaarde: "Ik ben bedreigd en daarna in de kofferbak geduwd”.
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 4 juli 2024, voor zover inhoudende (p. 65-66):
Ik hoorde dat wij het verzoek kregen om te gaan naar de parkeerplaats van Zwembad Hofbad in 's Gravenhage. Hier was het verhaal dat melder ontvoerd was en in een kofferbak van een auto zou liggen. Melder bleek [aangever] te zijn. [aangever] verklaarde dat hij mee moest lopen met [naam] en zijn moeder, [verdachte] , en dat hij bang was en mee liep. [aangever] verklaarde dat hij in de auto moest stappen. [aangever] verklaarde dat hij in de kofferbak moest klimmen. Hierbij zou hij geholpen zijn door [naam] met kracht. [aangever] verklaarde dat [verdachte] gezegd zou hebben dat hij moest luisteren. [aangever] verklaarde dat hij bang was en in de kofferbak was gestapt. [aangever] verklaarde dat zij gingen rijden.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
zij op 4 juli 2024 te ‘s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [aangever] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door die [aangever] te dwingen in de kofferbak van een auto (Toyota Yaris met kenteken [kenteken] ) plaats te nemen, de kofferbak van die auto dicht te doen en af te sluiten en vervolgens met die auto te gaan rijden, waardoor die [aangever] werd belet die auto te verlaten.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht en tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van drie jaren.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om tot een afdoening te komen waarbij aan de verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd dan de tijd die zij reeds in voorlopige hechtenis heeft gezeten.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De verdachte heeft zich samen met de medeverdachte schuldig gemaakt aan de ontvoering van [aangever] door hem te dwingen in de kofferbank van haar auto plaats te nemen en vervolgens met die auto te gaan rijden. Hierdoor heeft [aangever] zich niet kunnen verwijderen van de plaats waar hij zich bevond. Dat levert een ernstige inbreuk op de bewegingsvrijheid en lichamelijke integriteit van die [aangever] op. Dat dit voor de minderjarige [aangever] erg angstig moet zijn geweest, beaamt ook de verdachte zelf. Dat de verdachte [aangever] naar het politiebureau heeft willen brengen, zodat onderzoek kon worden gedaan naar beweerdelijk strafbaar handelen van [aangever] , zoals zij ter terechtzitting heeft verklaard, rechtvaardigt geenszins het handelen van de verdachte. De verdachte heeft met haar handelen het recht in eigen hand genomen omdat zij geen vertrouwen in de politie heeft en heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan een bijzonder verwerpelijke vorm van eigenrichting. Dit neemt de rechtbank de verdachte zeer kwalijk.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 23 oktober 2025. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat zij in 2021 veroordeeld is voor geweld tegen beroepsbeoefenaars van de politie.
De verdachte heeft niet meegewerkt aan het laten opstellen van een reclasseringsrapport. Zij heeft verklaard dat zij geen hulpvraag heeft en dit een verspilling van ieders tijd zou zijn.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij wat in soortgelijke gevallen doorgaans wordt opgelegd. De rechtbank is alles overwegende van oordeel dat voor het bewezen verklaarde strafbare feit, rekening houdend met de aard en ernst daarvan als hiervoor omschreven, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren, in combinatie met een taakstraf van 200 uren, te vervangen door 100 dagen hechtenis, passend en geboden is. De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf noodzakelijk, omdat het conflict tussen (de familie van) de verdachte en de aangever, dat aan het strafbare feit ten grondslag heeft gelegen, kennelijk nog niet is opgelost. Zo heeft de verdachte ter terechtzitting verklaard dat haar dochter aangifte jegens [aangever] zal doen. Anderzijds is de voorwaardelijke gevangenisstraf passend om de ernst van het gepleegde feit tot uitdrukking te brengen.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63, 282 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals die ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
1 (EEN) MAAND;
bepaalt dat die straf, groot
1 (EEN) MAAND, niet zal worden ten uitvoer gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een taakstraf voor de tijd van
200 (TWEEHONDERD) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van
100 (HONDERD) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.L.E. Bakels, voorzitter,
mr. V.J. de Haan, rechter,
mr. S.S. Buisman, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. F.A.M. Schuijt, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 november 2025.