ECLI:NL:RBDHA:2025:23635

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
09/220649-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzettelijke brandstichting met gevangenisstraf en schadevergoeding

Op 26 november 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die opzettelijk brand heeft gesticht in de woning van [naam 1] te 's-Gravenhage. De brandstichting vond plaats in de nacht van 8 op 9 juli 2025, waarbij de verdachte open vuur in aanraking bracht met houten jaloezieën, wat gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor de aanwezigen met zich meebracht. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte, onder invloed van drank en drugs, handelde uit een gevoel van verraad door zijn ex-vriendin. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 216 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en bijzondere voorwaarden zoals een meldplicht bij de reclassering en een ambulante behandeling. Daarnaast is de verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren. De benadeelde partij, [naam 1], heeft een schadevergoeding van € 144,96 toegewezen gekregen, die verband houdt met materiële schade door de brand. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij voor het overige afgewezen, omdat deze onvoldoende onderbouwd was. De uitspraak benadrukt de ernst van de brandstichting en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/220649-25
Datum uitspraak: 26 november 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
BRP-adres: [adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 12 november 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. I. Raterman en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. C.J.M. van den Brûle naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 12 november 2025 - ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 8 tot en met 9 juli 2025 te 's-Gravenhage opzettelijk brand heeft gesticht, door open vuur en/of een brandbare stof in aanraking te brengen met houten jaloezieën, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten (een deel van) de woning aan de [adres 2] te 's-Gravenhage en/of de houten jaloezieën van die woning en/of de inboedel van die woning en/of het raam van die woning en/of omliggende panden te duchten was en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten dhr. [naam 1] en/of [naam 2] te duchten was.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft het bewezen te verklaren feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen integrale vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025228620, van de politie Eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 135).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 12 november 2025;
2. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 9 juli 2025 (p. 14-15);
3. Het proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres 2] 's-Gravenhage), met bijlagen, opgemaakt op 26 juli 2025 (p. 114-116).
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit bewezen kan worden verklaard, met uitzondering van het ten laste gelegde te duchten gevaar voor omliggende panden en het te duchten levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [naam 1] en [naam 2] .
3.4.
Bewijsoverweging
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte opzettelijk brand heeft gesticht in de woning van [naam 1] (hierna: [naam 1] ), de (destijds) nieuwe vriend van zijn ex [naam 2] (hierna: [naam 2] ), door een brandende aansteker bij de houten jaloezieën te houden. Hierdoor is gemeen gevaar voor verschillende goederen (te weten: een deel van de woning, de houten jaloezieën van de woning, de inboedel van de woning alsmede het raam van de woning) te duchten geweest.
De rechtbank moet beoordelen of door het handelen van de verdachte ook gevaar voor omliggende panden en levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel voor [naam 1] en [naam 2] te duchten was.
De brand is rond 04:25 uur aangestoken, terwijl [naam 1] en [naam 2] in de woning aanwezig waren. De woning betreft een maisonnette woning gevestigd in een appartementencomplex. Het risico dat de brand niet of te laat zou worden opgemerkt, was gelet op het tijdstip daarvan, reëel. Indien de brand niet tijdig geblust was, hadden de gehele houten jaloezieën in brand kunnen raken. Pal naast de jaloezieën stond bovendien een stoffen fauteuil die ook vlam had kunnen vatten. Er had hierdoor in de gehele woning brand kunnen ontstaan, waarna het reële gevaar bestaat dat deze brand overslaat naar andere woningen in het complex. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [naam 1] en [naam 2] op dezelfde woonlaag sliepen als waar de verdachte de jaloezieën heeft aangestoken. Door blootstelling aan vuur en giftige rookgassen hadden ze zwaar lichamelijk letsel kunnen oplopen en dergelijke situaties zijn in potentie levensgevaarlijk.
Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat door het handelen van de verdachte ook gevaar voor omliggende panden en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [naam 1] en [naam 2] te duchten was. De rechtbank zal het verweer van de raadsvrouw dan ook verwerpen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij
op9 juli 2025 te 's-Gravenhage opzettelijk brand heeft gesticht, door open vuur in aanraking te brengen met houten jaloezieën, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten (een deel van) de woning aan de [adres 2] te 's-Gravenhage en de houten jaloezieën van die woning en de inboedel van die woning en het raam van die woning en omliggende panden te duchten was en
- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor
anderen, te weten [naam 1] en [naam 2] , te duchten was.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en cursief weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 329 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling, het vinden en behouden van dagbesteding en het meewerken aan middelencontrole. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de verdachte daarnaast wordt veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om tot een afdoening te komen, waarbij aan de verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd dan de tijd die hij reeds in voorlopige hechtenis heeft gezeten.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich ‘s nachts schuldig gemaakt aan opzettelijke brandstichting in de woning van [naam 1] . Daarmee heeft de verdachte een in potentie zeer gevaarlijke situatie in het leven geroepen. Door zijn handelen heeft de verdachte niet alleen gevaar veroorzaakt voor het leven van [naam 1] en [naam 2] , van wie hij wist dat ze op dat moment in de woning aanwezig waren, maar ook gemeen gevaar voor goederen. De verdachte heeft zich onder invloed van drank en drugs kennelijk laten leiden door het gevoel dat hij bedonderd werd door zijn ex-vriendin. Hierbij heeft hij zich niet bekommerd om het ernstige gevaar dat zijn handelen voor personen en goederen teweeg zou brengen. Dat de gevolgen van zijn handelen beperkt zijn gebleven tot brand- c.q. roetschade, is een gelukkige omstandigheid die enkel aan adequaat handelen van [naam 1] – en niet aan de verdachte – te danken is. Dat de gebeurtenis bij [naam 1] en [naam 2] gevoelens van onveiligheid teweeg hebben gebracht, is evident. Daarnaast draagt een dergelijk misdrijf in zijn algemeenheid ook bij aan het veroorzaken van angst, onrust en onveiligheid in de maatschappij. De rechtbank neemt de verdachte zijn handelen zeer kwalijk.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 3 oktober 2025. De verdachte is niet eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 13 oktober 2025, waaruit volgt dat sprake is van problematiek op de leefgebieden middelengebruik, psychosociaal functioneren, dagbesteding en de relatie met partner, gezin en familie. Deze leefgebieden worden als criminogene factoren gezien. De verdachte kampt met depressieve gevoelens en suïcidale gedachten. Zijn zelfbeeld is laag en er is sprake van alcohol- en cocaïnegebruik om negatieve gevoelens te dempen. Als beschermende factoren gelden het sociale netwerk van de verdachte (hij woont tijdelijk in bij zijn broer die hem steun biedt) en het feit dat hij oprecht spijt en schaamte lijkt te hebben van wat er is gebeurd. Gelet op een en ander is sprake van een laag recidiverisico. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij reclassering, een ambulante behandeling, het vinden en behouden van dagbesteding en het meewerken aan middelencontrole.
Strafoplegging
De rechtbank overweegt bij de bepaling van de strafmodaliteit en de strafmaat dat feiten als deze in de regel een hoge (gevangenis-)straf rechtvaardigen. In dit geval acht de rechtbank de houding van de verdachte strafverlagend. Niet alleen heeft hij zijn volledige medewerking verleend aan het hele onderzoek, ook is de verdachte schuldbewust en op zoek gegaan naar hulp. De verdachte heeft open en eerlijk verklaard over hetgeen is gebeurd en in de zaak heeft een geslaagde mediation plaatsgehad met [naam 2] .
Gelet op alles wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank zal, alles afwegende, aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 216 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij reclassering, een ambulante behandeling, het vinden en behouden van dagbesteding en het meewerken aan middelencontrole. De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf passend, enerzijds om de ernst van het gepleegde feit tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. De rechtbank veroordeelt de verdachte voorts tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, te vervangen door 75 dagen hechtenis. De rechtbank legt een lagere straf op dan door de officier van justitie is geëist, omdat de rechtbank de strafverlagende factoren zwaarder meeweegt.

7.De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[naam 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 1.850,75, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering voor zover die ziet op de kosten voor de lamellen en de video deurbel en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat een deel van het gevorderde bedrag voor de lamellen en de video deurbel toewijsbaar is. De kosten van inkomstenderving zijn niet onderbouwd en de benadeelde partij moet ten aanzien van die post niet-ontvankelijk worden verklaard.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post lamellen, is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd en door de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. Uit het dossier volgt dat één van de lamellen beschadigd is door de brandstichting. Slechts het bedrag van € 241,60 komt daarom voor vergoeding in aanmerking. Uit de overgelegde factuur volgt voorts dat van dit bedrag nog korting af is gegaan. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van het dossier worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden ter grootte van € 144,96. De rechtbank zal dit deel van de vordering dan ook toewijzen.
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de posten video deurbel en gederfde inkomsten, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij heeft de gevorderde schade, die ziet op de (aanschaf van de) video-deurbel, onvoldoende onderbouwd. Bovendien kan niet worden vastgesteld dat de benadeelde partij na de gebeurtenis nog angst voor de verdachte heeft. Dat sprake is van rechtstreekse schade is dan ook onvoldoende onderbouwd. Ook de gederfde inkomsten zijn door de benadeelde partij niet onderbouwd. Het aanhouden van deze zaak om de benadeelde partij alsnog in de gelegenheid te stellen die schadeposten van een nadere onderbouwing te voorzien, levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 144,96, bestaande uit materiële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 9 juli 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Omdat de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De verdachte zal voor het bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 144,96, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 juli 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [naam 1] .

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 157 van het Wetboek van Strafrecht;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals die ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
216 (TWEEHONDERDZESTIEN) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
180 (HONDERDTACHTIG) DAGEN, niet zal worden ten uitvoer gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zo lang als de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact opnemen met de veroordeelde voor de eerste afspraak;
- zich laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
- zich gedurende de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur;
- gedurende de proeftijd meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek gebruiken voor de controle en bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een taakstraf voor de tijd van
150 (HONDERDVIJFTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van
75 (VIJFENZEVENTIG) DAGEN;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
de vordering van de benadeelde partij;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van
€ 144,96 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 9 juli 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [naam 1] ;
de schadevergoedingsmaatregel;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 144,96, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 juli 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [naam 1] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 2 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. V.J. de Haan, voorzitter,
mr. J.L.E. Bakels, rechter,
mr. S.S. Buisman, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. F.A.M. Schuijt, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 november 2025.