ECLI:NL:RBDHA:2025:23624
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen oplegging rijvaardigheidsonderzoek
Verzoekster is door verweerder verplicht een rijvaardigheidsonderzoek te ondergaan vanwege twijfel over haar rijvaardigheid, gebaseerd op een politieincident waarbij zij moeite had met het bedienen van haar voertuig. Verzoekster stelde dat het onderzoek onomkeerbare gevolgen heeft en dat zij vanwege haar mantelzorgtaken geen tijd heeft voor het onderzoek, waardoor er sprake zou zijn van een spoedeisend belang.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het volgen van een rijvaardigheidsonderzoek inherent tijd en inspanning kost voor alle betrokkenen en dat verzoekster onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij het onderzoek onmogelijk kan volgen. Ook is geen aanwijzing dat verweerder onredelijk zal zijn bij het toestaan van herplanning.
Het spoedeisend belang ontbrak daarom, en het besluit van verweerder was niet evident onrechtmatig. De rechtbank concludeerde dat het mutatierapport van de politie voldoende aanleiding gaf voor het opleggen van het onderzoek. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen, zonder toekenning van proceskosten.
Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het opleggen van het rijvaardigheidsonderzoek is afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.