Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, ingediend op 3 maart 2024. De minister ontving de aanvraag en moest binnen zes maanden beslissen, maar heeft dit niet gedaan. Eiser stelde de minister op 15 juli 2025 in gebreke en diende daarna beroep in, dat de rechtbank gegrond verklaart.
De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor moet afnemen over de asielmotieven van eiser, en binnen acht weken daarna een besluit moet nemen. Voor elke dag dat de minister deze termijn overschrijdt, verbeurt hij een dwangsom van € 100,- met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank wijst tevens een proceskostenvergoeding van € 453,50 toe aan eiser vanwege de inschakeling van juridische hulp.
De minister had aanvankelijk de beslistermijn met negen maanden verlengd op basis van een beleidsregel die later werd ingetrokken, waardoor de reguliere beslistermijn van zes maanden weer geldt. De rechtbank kan de hoogte van de dwangsom niet vaststellen voor de periode vóór 15 april 2025, omdat de wettelijke bepalingen toen nog van kracht waren en niet aan de voorwaarden voor dwangsomtoekenning werd voldaan.
De uitspraak is gedaan door rechter O. Veldman en griffier J.M. Pattynama op 17 oktober 2025 en is in het openbaar uitgesproken en bekendgemaakt.