ECLI:NL:RBDHA:2025:23610

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
C/09/679409 HA ZA 25-114
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg van een overnameovereenkomst met betrekking tot een uitzendonderneming en de vordering van de curator

In deze zaak gaat het om de uitleg van een overnameovereenkomst met betrekking tot de verkoop van een uitzendonderneming, voorafgaand aan het faillissement van de verkoper. De curator, mr. Gerben Hendriks, vordert dat de koper, Backoffice Plus B.V., de koopprijs van € 400.000,- betaalt. De koper beroept zich op verrekening, stellende dat alle op het moment van de overdracht bestaande reserveringen voor het personeel voor rekening van de verkoper komen. De curator betwist dit en stelt dat alleen de op de overdrachtsdatum opeisbare verplichtingen door de verkoper voldaan moeten worden. De rechtbank concludeert, na een taalkundige uitleg van de overeenkomst en rekening houdend met de specifieke kenmerken van de uitzendbranche, dat de reserveringen voor het personeel inderdaad voor rekening van de verkoper komen. Hierdoor heeft de koper een vordering die met de koopprijs verrekend kan worden. De vordering van de curator wordt afgewezen, en de koper wordt in het gelijk gesteld. De proceskosten worden toegewezen aan de koper, die in het ongelijk is gesteld.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Handel
Zaaknummer: C/09/679409 / HA ZA 25-114
Vonnis van 19 november 2025
in de zaak van
MR. GERBEN HENDRIKS Q.Q., te Kampen,
In de hoedanigheid van curator in de faillissementen van FA Services B.V. en FA Centrale Diensten B.V.,
eiser,
hierna te noemen: de curator
advocaat: mr. G. Hendriks,
tegen
BACKOFFICE PLUS B.V., te Rotterdam,
gedaagde,
hierna te noemen: de koper
advocaat: mr. E.S. Ebels.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 24 januari 2025 met producties 1 tot en met 16;
  • de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 10;
  • de aanvullende producties 17 en 18 van de curator;
  • de aanvullende producties 11 en 12 van de koper.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 september 2025. De curator was daarbij aanwezig. De koper werd vertegenwoordigd door dhr. [naam 1] (algemeen directeur) en mr. [naam 2] (legal counsel), bijgestaan door de advocaat voornoemd. Partijen hebben vragen van de rechtbank beantwoord, hun standpunten nader toegelicht en pleitnotities overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.
1.3.
Na afronding van de mondelinge behandeling is de zaak naar de rol van 1 oktober 2025 verwezen voor akte. Bij gelijktijdig genomen akten van die datum hebben partijen te kennen gegeven dat zij geen minnelijke regeling hebben bereikt.
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Deze zaak draait om de overname van de onderneming van twee vennootschappen in de uitzendbranche door de koper. Deze vennootschappen zijn Recruitment Backoffice Services B.V. (inmiddels ‘FA Services B.V.’, hierna: ‘RBS’) en BJG Centrale Diensten B.V. (inmiddels ‘FA Centrale Diensten B.V.’, hierna: ‘CD’). RBS en CD worden hierna gezamenlijk ‘de verkoper’ genoemd en hun ondernemingen ‘de onderneming’.
2.2.
Op 31 mei 2024 hebben de koper en de verkoper een overnameovereenkomst gesloten met betrekking tot de door de verkoper gedreven onderneming (hierna: de overnameovereenkomst). De achtergrond van de overname was - kort gezegd - dat RBS en CD in financieel zwaar weer verkeerden en dreigden niet meer aan hun lopende verplichtingen te kunnen voldoen.
2.3.
Op 29 mei 2024 was een waardebepaling opgesteld voor de onderneming door [adviesbureau] . Hierop is het bod dat de koper bij e-mail van 30 mei 2024 heeft uitgebracht, gebaseerd. De koper en de verkoper zijn een koopsom van
€ 400.000,- overeengekomen, die voor een bedrag van € 298.079,83 aan RBS toekomt en voor een bedrag van € 101.920,16 aan CD.
2.4.
In de overnameovereenkomst is - voor zover relevant - het volgende bepaald:
“(…)
NEMEN IN OVERWEGING DAT:
(…)C. Een voorbeeld van de verplichtingen die niet kunnen worden voldaan is de betaling van de vakantiegelden die eind mei / begin juni 2024 aan het personeel van RBS cs en aan de uitzendkrachten betaald moeten worden. Om die te kunnen betalen is aanvullende werkkapitaalfinanciering nodig. Die financiering is op dit moment niet beschikbaar.
(…)
F. Indien een faillissement van RBS cs volgt, zal haar Onderneming feitelijk waardeloos worden. (…)
G. Om een groot deel van de going concernwaarde van de Onderneming van RBS cs te behouden, de opdrachten van de opdrachtgevers van RBS cs zoveel als mogelijk ongestoord door de Onderneming te laten voortzetten en haar personeelsleden zoveel als mogelijk hun baan te laten behouden en daarmee schade voor alle betrokken partijen zoveel als mogelijk te voorkomen, is RBS cs op zoek gegaan naar een partij die geïnteresseerd is om haar activiteiten voort te zetten.
H. Deze partij heeft RBS cs gevonden in Koper. (…)
L. Om te zorgen dat de overdracht van de activiteiten van RBS en de Vaste Activa niet zal leiden tot enige benadeling van schuldeisers van RBS cs of andere betrokkenen, hebben RBS cs aan [adviesbureau] B.V. (…) verzocht om een prijsindicatie van de onderdelen te geven die Koper van RBS cs wenst over te nemen. Dit heeft geleid tot een prijsindicatierapport (…)
O. De in deze Overeenkomst genoemde overdrachten vinden feitelijk (dat wil zeggen ongeacht of aan de formele voorwaarden tot overdracht van de over te dragen onderdelen is voldaan) plaats op 3 juni 2024 om 00.00 uur (hierna te noemen: de “
Overdrachtsdatum”) en de onderneming van RBS cs wordt vanaf de Overdrachtsdatum door Koper en voor rekening en risico van Koper uitgevoerd.
(…)
Artikel 1 Contractoverneming Opdrachtgevers
(…)
1.3
Ter voorkoming van misverstanden; Verkoper behoudt het recht om de diensten die zij tot de Overdrachtsdatum voor haar Opdrachtgevers heeft uitgevoerd op eigen naam en voor eigen rekening te factureren en die facturen te innen. Aan Koper komt het recht toe om de diensten die zij vanaf de Overdrachtsdatum voor de Opdrachtgevers in verband met de Overeenkomsten met Opdrachtgevers heeft uitgevoerd (ongeacht of die in formele zin nu door Koper zijn overgenomen of niet), op haar eigen naam en voor haar eigen rekening te factureren en die facturen te innen. Verkoper zal haar medewerking verlenen de inning (en eventueel afdracht) van de vergoeding voor diensten die Koper heeft uitgevoerd voor Opdrachtgevers die niet instemmen met de overdracht.
1.4
Indien er onverhoopt Opdrachtgevers zijn die als gevolg van een vergissing facturen van Koper op de bankrekening van RBS zullen betalen, dan zal RBS de bedragen die zij in dat kader heeft ontvangen, onverwijld aan Koper doorbetalen.
(…)
Artikel 3 Personeelsleden
3.1
Koper zal, met inachtneming van hetgeen hieronder anders wordt overeengekomen, al het personeel van Verkoper waarmee op het moment van ondertekening van deze Overeenkomst geen vaststellingsovereenkomst is gesloten tot beëindiging van de arbeidsovereenkomsten en/of die nog niet zelf ontslag hebben genomen, met ingang van de Overdrachtsdatum overnemen. (…)
3.2
Partijen zullen nog in overleg treden of het Personeel een nieuwe (gelijkluidende) arbeidsovereenkomst krijgen, of dat zij dit regelen door middel van contractoverneming in de zin van artikel 6:159 BW of dat zij uitgaan van de werking van Overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 e.v. BW en van rechtswege alle rechten en verplichtingen overgaan op Koper.
3.3
Verkoper draagt er zorg voor dat alle overgebleven verplichtingen aan het Personeel tot de Overdrachtsdatum zullen zijn of worden voldaan. Ook zal Verkoper ervoor zorgdragen dat het vakantiegeld over de periode tot de Overdrachtsdatum aan het Personeel (althans het gedeelte van het Personeel dat gebruik maakt van wekelijkse verloning) voldaan wordt in de eerste week van juni 2024. Hiertoe zullen Verkoper en Koper nadere afspraken maken of deze betaling rechtstreeks door Verkoper aan Koper zal geschieden, of dat Verkoper dit bedrag aan Koper ter beschikking zal stellen en dat Koper de bedragen aan het Personeel zal voldoen. Nakoming van deze verplichtingen door Verkoper jegens het Personeel tot de Overdrachtsdatum is een voorwaarde voor Koper om tot deze Overeenkomst te komen. Indien Koper om welke reden ook enige verplichting jegens het Personeel en/of jegens derden moet nakomen die verband houden met de arbeids- en/of uitzendovereenkomsten (waaronder maar niet uitputtend de fiscus en pensioenfondsen) en die op grond van deze Overeenkomst door Verkoper betaald hadden moeten worden, dan ontstaat als gevolg daarvan een vordering van Koper op Verkoper van het bedrag dat door Koper aan het Personeel en/of die derden betaald is.
(…)
Artikel 8 Koopprijs Overgenomen Onderdelen
(…)
8.3
De betaling van de Overnamesom wordt hierbij omgezet in twee geldvorderingen, te weten één van RBS op Koper en één van Centrale Diensten op Koper voor de respectievelijke bedragen van EUR 298.079,83 en EUR 101.920,16. Die geldvorderingen worden onmiddellijk op eerste verzoek namens RBS respectievelijk Centrale Diensten opeisbaar, indien (i) de opbrengst gebruikt kan worden bij een sanering van de schulden van RBS respectievelijk Centrale Diensten en waarbij de Belastingdienst schriftelijk heeft ingestemd met een minnelijke sanering van haar vordering op RBS respectievelijk Centrale Diensten dan wel (ii) RBS en/of Centrale Diensten in staat van faillissement wordt verklaard en de curator verzoekt om betaling van de respectievelijke vorderingen. (…)
8.4
De hiervoor bedoelde geldvorderingen zullen zodra daar door RBS en/of Centrale Diensten aanspraak op wordt gemaakt, door Koper worden voldaan zonder enige vorm van verrekening, inhouding, opschorting en zonder anderszins de hoogte van het bedrag of het tijdstip van betaling te betwisten en/of op een andere manier te beïnvloeden. Van dit verrekeningsverbod is uitgesloten een eventuele vordering van Koper op RBS overeenkomstig artikel 1.4 en/of 3.3 van deze Overeenkomst in verband met bedragen die abusievelijk door Opdrachtgevers aan Verkoper zijn betaald in verband met diensten die vanaf de Overnamedatum door Koper zijn uitgevoerd en die om die reden door de betreffende Opdrachtgever aan Verkoper betaald had moeten worden respectievelijk bedragen die Verkoper aan het Personeel en/of de in artikel 3.3 bedoelde derden had moeten betalen, maar die niet door Verkoper zijn betaald en die om welke reden ook door Koper op grond van een wettelijke grondslag aan het Personeel en/of die derden voldaan zijn. Die vordering mag door Koper worden verrekend met de vordering van RBS in verband met de betaling van de Overnamesom voor Overgenomen Onderdelen van RBS.
(…)”
2.5.
De onderneming is per 3 juni 2024 overgedragen aan de koper en wordt met ingang van die datum voor haar rekening en risico gedreven.
2.6.
Bij vonnis van de rechtbank Overijssel van 25 juni 2024 is de verkoper failliet verklaard.
2.7.
De koopsom genoemd onder 3.3, van in totaal € 400.000, -, is nooit door de koper voldaan.

3.Het geschil

3.1.
De curator vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
Ten behoeve van FA Services B.V.
  • de koper veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 281.761,73, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente;
  • de koper veroordeelt in de buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van € 3.183,81, te vermeerderen met de wettelijke rente;
  • de koper veroordeelt in de proceskosten, inclusief de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Ten behoeve van FA Centrale Diensten B.V.
  • de koper veroordeelt tot betaling van € 101.920,16, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente;
  • de koper veroordeelt in de buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van € 1.794,20, te vermeerderen met de wettelijke rente;
  • de koper veroordeelt in de proceskosten, inclusief de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
De curator legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de koper gehouden is de overeengekomen koopprijs voor de onderneming te betalen.
3.3.
De koper voert verweer waarbij zij zich beroept op verrekening en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de curator, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de curator in de proceskosten (inclusief nakosten), te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De koper stelt zich – samengevat – op het standpunt dat de verkoper en de koper zijn overeengekomen dat alle op het moment van de overdracht van de onderneming bestaande reserveringen ten behoeve van het personeel voor rekening van de verkoper komen.
4.2.
De koper stelt een vordering van € 472.758,95 op de verkoper te hebben, uit hoofde van reserveringen voor het uitzendpersoneel. De koper heeft dit bedrag aan van de verkoper overgenomen uitzendkrachten afgedragen. Op grond van de toepasselijke CAO hadden uitzendkrachten recht op die betaling bij het einde van hun overeenkomst met de verkoper. De koper wenst dit bedrag met de koopprijs te verrekenen, omdat in artikel 3.3 van de overnameovereenkomst is afgesproken dat alle verplichtingen jegens het personeel tot aan de overdrachtsdatum voor rekening van de verkoper komen.
4.3.
Deze vordering is als volgt opgebouwd:
  • Kort verzuim: € 5.048,98
  • Feestdagen: € 1.166,53
  • Vakantiedagen: € 250.495,66
  • Arbeidsduurverkorting: € 47.781,92
  • Tijd voor tijd: € 4.634,39
  • Vakantiegeld: € 39.756,56
  • Onregelmatigheidstoeslag: € 29.323,12
  • (Subtotaal: € 378.207,16)
  • Sociale lasten 25% € 94.551,79
4.4.
Daarnaast stelt de koper dat zij vorderingen heeft op de verkoper van € 79.359,39 uit hoofde van de reserveringen voor het overige personeel van RBS en € 22.291,39 uit hoofde van reserveringen voor het overige personeel van CD. Verder heeft de curator een bedrag van € 34.915,30 aan omzet ontvangen dat op grond van de overnameovereenkomst aan de koper toekomt en heeft de koper een bedrag van € 18.402,96 aan debiteurenbetalingen ontvangen die aan de curator toekomen, waardoor de koper gesaldeerd nog een vordering van € 16.512,34 heeft op de curator, aldus de koper. De koper wenst ook deze vorderingen met de koopprijs te verrekenen.
4.5.
De curator heeft niet betwist dat de koper betalingen heeft gedaan aan het overgenomen personeel. De curator heeft wel bestreden dat de verkoper en de koper zijn overeengekomen dat alle op het moment van overdracht van de onderneming bestaande reserveringen ten behoeve van het personeel voor rekening van de verkoper komen. Volgens de curator zijn is overeengekomen dat de verkoper de op de overdrachtsdatum opeisbare verplichtingen aan het personeel en het vakantiegeld over de periode tot de overdracht zou voldoen; alle overige reserveringen komen vanaf de overdrachtsdatum voor rekening van de koper, aldus de curator.
4.6.
De curator heeft aangevoerd dat het standpunt van de koper niet strookt met het doel van de overnameovereenkomst. Bestaande verplichtingen jegens personeel zouden door de verkoper betaald moeten kunnen uit de opbrengst van de overname: de koopsom van
€ 400.000,-. Dat kan niet als reserveringen die de koopsom overstijgen - en dat dat zo is, was kenbaar ten tijde van de overdrachtsdatum - voor rekening van de verkoper komen. De koper heeft daar tegenin gebracht dat kort voor de overdracht een aanzienlijk bedrag aan debiteuren uitstond ten gunste van de verkoper en dat zij ervan uitging dat de verkoper mede daarmee de resterende verplichtingen jegens het personeel zou kunnen voldoen. Dat strookt volgens de koper juist wel met het doel van de overnameovereenkomst, te weten een
cash en debt freeovername. Bij de waardering van de onderneming in het kader van deze overname is ook uitgegaan van de onderneming zonder schulden. De koper zou de onderneming nooit hebben overgenomen voor een koopsom van € 400.000,- als zij ook nog eens bijna € 600.000,- aan verplichtingen jegens het personeel zou moeten overnemen. Dat staat in geen verhouding tot de waarde van de onderneming, aldus de koper.
Uitleg van de overnameovereenkomst
4.7.
Partijen zijn het erover eens dat de verkoper en de koper in het kader van de overdracht van de onderneming niet expliciet hebben besproken welke verplichtingen jegens het personeel onder artikel 3.3 van de overnameovereenkomst vallen. Beide partijen hebben zich ter zitting desgevraagd op het standpunt gesteld dat de overnameovereenkomst geen leemte bevat ten aanzien van de reserveringen ten behoeve van het personeel; zij geven beiden een andere betekenis aan artikel 3.3 van de overnameovereenkomst. Dat betekent dat de rechtbank de relevante bepalingen van de overnameovereenkomst niet op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid moet aanvullen, maar dat zij op basis van uitleg moet beoordelen wat de verkoper en de koper zijn overeengekomen.
4.8.
Bij de uitleg van een overeenkomst kan niet worden volstaan met een taalkundige uitleg van de bepalingen van die overeenkomst, maar komt het aan op de betekenis die partijen onder de gegeven omstandigheden over en weer aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij in dat opzicht redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, mede gelet op de maatschappelijke positie van partijen en de bij hen aanwezige rechtskennis (de zogenoemde ‘Haviltex-norm’). De omstandigheden van het geval kunnen er wel aanleiding toe geven dat aan objectieve aanknopingspunten, zoals de in een overeenkomst gekozen bewoordingen, in beginsel doorslaggevende betekenis wordt toegekend (de zogenoemde ‘CAO-norm’). Tussen de meer subjectieve uitleg op grond van de Haviltex-norm en een meer objectieve uitleg op grond van de CAO-norm bestaat geen tegenstelling, maar een vloeiende overgang. [1]
4.9.
Bij de uitleg van de overnameovereenkomst houdt de rechtbank rekening met de volgende omstandigheden van het geval.
4.9.1.
Ten eerste is van belang dat zowel de verkoper als de koper professionele partijen in de uitzendbranche zijn die – met juridische bijstand – gedurende een korte periode intensief hebben onderhandeld over de overname van de onderneming.
4.9.2.
Daarnaast is van belang dat tijdens de onderhandelingen een waardebepaling is opgesteld, waarop ook het bod van de koper is gebaseerd (zie onder 2.3). Tussen partijen is niet in geschil dat de verkoper en de koper beiden goed en volledig op de hoogte waren van de financiële situatie van de over te dragen onderneming, inclusief de reserveringen voor het personeel.
4.9.3.
Verder is van belang dat uit de considerans en de bepalingen van de overnameovereenkomst (zie onder 2.4) blijkt dat het doel van de overnameovereenkomst was om een faillissement van RBS en CD af te wenden en in ieder geval de negatieve gevolgen daarvan voor de onderneming en de daarbij betrokkenen zoveel mogelijk te beperken. De verkoper en de koper hielden blijkens de tekst van de overnameovereenkomst uitdrukkelijk ook rekening met de mogelijkheid van een faillissement en het betrokken raken van een curator. De rechtbank leidt hieruit af dat de tekst van de overnameovereenkomst mede is opgesteld met het oog op de mogelijkheid dat deze (deels) door een curator – een derde die niet bij de totstandkoming van de overnameovereenkomst betrokken was – zou moeten worden uitgevoerd.
4.9.4.
De rechtbank gaat er, gelet op het voorgaande, van uit dat bij de verkoper en de koper de nodige kennis van de uitzendbranche aanwezig was en dat zij de tekst van de overnameovereenkomst, ook gelet op de betrokkenheid van advocaten aan beide zijden, zorgvuldig hebben geformuleerd en hun bewoordingen weloverwogen hebben gekozen. Een taalkundige uitleg van de overnameovereenkomst legt daarom veel gewicht in de schaal, waarbij de hier relevante bepalingen moeten worden uitgelegd in samenhang met de rest van de overnameovereenkomst.
4.10.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of de verkoper en de koper met de zinsnede ‘alle overgebleven verplichtingen aan het Personeel tot de Overdrachtsdatum’ in de eerste zin van artikel 3.3 van de overnameovereenkomst (ook) alle op het moment van overgang van de onderneming bestaande reserveringen ten behoeve van het personeel van de onderneming hebben bedoeld (zoals de koper stelt), of alleen de op de overdrachtsdatum opeisbare verplichtingen van de verkoper aan het personeel (zoals de curator betoogt). Voor de leesbaarheid wordt artikel 3.3. hier nogmaals geciteerd (arceringen rechtbank):
3.3
Verkoper draagt er zorg voor dat
alle overgebleven verplichtingen aan het Personeel tot de Overdrachtsdatum zullen zijn of worden voldaan.
Ookzal Verkoper ervoor zorgdragen dat
het vakantiegeldover de periode tot de Overdrachtsdatum aan het Personeel (althans het gedeelte van het Personeel dat gebruik maakt van wekelijkse verloning)
voldaan wordtin de eerste week van juni 2024. Hiertoe zullen Verkoper en Koper nadere afspraken maken of
deze betalingrechtstreeks door Verkoper aan Koper zal geschieden, of dat Verkoper dit bedrag aan Koper ter beschikking zal stellen en dat Koper de bedragen aan het Personeel zal voldoen. Nakoming van
deze verplichtingendoor Verkoper jegens het Personeel
tot de Overdrachtsdatumis een voorwaarde voor Koper om tot deze Overeenkomst te komen. Indien Koper om welke reden ook
enige verplichting jegens het Personeel en/of jegens derden moet nakomen die verband houden met de arbeids- en/of uitzendovereenkomsten(waaronder maar niet uitputtend de fiscus en pensioenfondsen) en die op grond van deze Overeenkomst
door Verkoper betaald hadden moeten worden, dan ontstaat als gevolg daarvan een vordering van Koper op Verkoper van het bedrag dat door Koper aan het Personeel en/of die derden betaald is.
Reserveringen voor uitzendkrachten
4.11.
De koper heeft – onder verwijzing naar de toepasselijke CAO, te weten de SFU/ABU CAO voor Uitzendkrachten 2024 – aangevoerd dat het in de uitzendbranche gangbare praktijk is dat uitzendpersoneel rechten c.q. reserveringen opbouwt met betrekking tot verlof en vakantie. Bij het einde van de overeenkomst met de uitzendonderneming worden de opgebouwde reserveringen aan de uitzendkracht uitgekeerd. De curator heeft het bestaan van deze praktijk op zichzelf niet betwist, maar heeft aangevoerd dat dit niet is wat in artikel 3.3 van de overnameovereenkomst is vastgelegd: alleen verplichtingen jegens personeel die per de overdrachtsdatum betaald hadden moeten zijn, komen volgens de curator voor rekening van de verkoper, niet ook de op dat moment latente aanspraken van het (uitzend)personeel.
4.12.
Zowel de curator als de koper heeft erop gewezen dat bij de koper en bij de verkoper specifieke kennis van en ervaring in de uitzendbranche aanwezig was. De tekst van de overnameovereenkomst moet dan ook mede worden begrepen tegen de achtergrond van de hiervoor beschreven praktijk in de uitzendbranche.
4.13.
De rechtbank gaat er verder – gelet op het onder 4.9.4 vermelde uitgangspunt – van uit dat de verkoper en de koper met de door hen gekozen bewoordingen welbewust de omvang van de verplichtingen die zij over en weer op zich nemen, hebben willen bepalen. De verkoper en de koper hebben in de tekst van de overnameovereenkomst niet uitgewerkt wat onder ‘alle overgebleven verplichtingen aan het Personeel’ zoals bedoeld in de eerste zin van artikel 3.3 van de overnameovereenkomst moet worden verstaan. De rechtbank zal er op basis van de in het algemeen taalgebruik gangbare betekenis van de gekozen bewoordingen (in het bijzonder het woord ‘alle’) van uit gaan dat aan deze zinsnede een ruime uitleg moet worden gegeven.
4.14.
Uit de woorden ‘ook zal de Verkoper ervoor zorgdragen dat’ tot ‘voldaan wordt in de eerste week van juni 2024’ in de tweede zin van artikel 3.3 leidt de rechtbank af dat twee afspraken zijn gemaakt. Ten eerste de afspraak over voor wiens rekening ‘alle overgebleven verplichtingen’ komen en ten tweede een afspraak over het moment van betaling van het tot de overdrachtsdatum opgebouwde vakantiegeld. Het gebruik van het enkelvoud in de daaropvolgende zin duidt er naar het oordeel van de rechtbank op dat over de manier van betalen van ‘het vakantiegeld over de periode tot de Overdrachtsdatum’ in de eerste week van juni 2024 nog afspraken gemaakt moesten worden. In de zin daarna wordt weer gesproken over ‘verplichtingen’ in meervoud. Dit slaat kennelijk terug op ‘alle overgebleven verplichtingen’ in de eerste zin.
4.15.
Verder leidt de rechtbank uit de zinsneden ‘zullen zijn of worden voldaan’ en ‘waaronder maar niet uitputtend de fiscus en pensioenfondsen’ in de eerste respectievelijk de laatste zin van artikel 3.3. af dat met ‘alle overgebleven verplichtingen’ niet alleen de op de overdrachtsdatum opeisbare verplichtingen jegens het personeel worden bedoeld, maar dat het ook kan gaan om verplichtingen ten behoeve van het personeel die na de overgangsdatum ontstaan en/of moeten worden voldaan, maar die betrekking hebben op de periode tot 3 juni 2024 (de overdrachtsdatum).
4.16.
De rechtbank stelt vast dat ten tijde van de overname duidelijk was dat het personeel van de verkoper zou overgaan naar de koper, maar dat nog niet vaststond of dat middels contractovername zou gaan, of via de route van overgang van onderneming. Hierover zouden de verkoper en de koper nog in overleg treden. Dit is met zoveel woorden vastgelegd in artikel 3.1 en 3.2 van de overnameovereenkomst (zie onder 2.4). De koper heeft onbestreden aangevoerd dat dit overleg nooit heeft plaatsgevonden en dat de koper met van de verkoper overgenomen uitzendkrachten nieuwe overeenkomsten is aangegaan. Rekening houdend met de onder 4.11 beschreven praktijk in de uitzendbranche (met betrekking tot het uitkeren van opgebouwde verlof- en vakantierechten bij het einde van de uitzendovereenkomst), betekent dit dat voor de verkoper verplichtingen jegens de uitzendkrachten ontstonden tot uitbetaling van opgebouwde verlof- en vakantierechten. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen daaronder worden geschaard de posten genoemd onder 4.3 hiervoor.
4.17.
De rechtbank concludeert met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 4.9.4 over het belang van de tekst van de overnameovereenkomst, gelezen tegen de achtergrond van de praktijk van de uitzendbranche (zie 4.11 en 4.12), dat artikel 3.3 van de overnameovereenkomst zo moet worden uitgelegd, dat de tot de overdrachtsdatum opgebouwde reserveringen voor verlof- en vakantierechten ten behoeve van het uitzendpersoneel voor rekening van de verkoper komen. Vanwege de kennis van en ervaring in de uitzendbranche van de verkoper en de koper en gelet op de ruime formulering ‘alle overgebleven verplichtingen’ had het op de weg van de verkoper gelegen om, als één of meer van de onder 4.3 genoemde reserveringen voor rekening van de koper had(den) moeten komen, hierover een specifiek beding in de overnameovereenkomst op te (laten) nemen. Dit had ook bewerkstelligd kunnen worden door te definiëren wat moet worden verstaan onder ‘alle overgebleven verplichtingen aan het Personeel’ zoals bedoeld in de eerste zin van artikel 3.3 van de overnameovereenkomst.
Verrekeningsverbod
4.18.
De curator heeft zich naar aanleiding van het beroep van de koper op verrekening - samengevat - op het standpunt gesteld dat de koper een eventuele vordering op CD niet kan verrekenen, omdat in artikel 8.4 van de overnameovereenkomst een verrekenverbod is opgenomen waarvan alleen vorderingen op RBS (uit hoofde van artikel 1.4 en artikel 3.3 van de overnameovereenkomst) zijn uitgesloten. De koper heeft dit betwist en heeft – samengevat – aangevoerd dat de uitzondering op het verrekenverbod ook van toepassing is op vorderingen op CD.
4.19.
Omwille van de leesbaarheid wordt ook artikel 8.5 hier nogmaals geciteerd (arceringen rechtbank):
8.4
De hiervoor bedoelde geldvorderingen zullen zodra daar door
RBS en/of Centrale Dienstenaanspraak op wordt gemaakt, door Koper worden voldaan zonder enige vorm van verrekening, inhouding, opschorting en zonder anderszins de hoogte van het bedrag of het tijdstip van betaling te betwisten en/of op een andere manier te beïnvloeden. Van dit verrekeningsverbod is uitgesloten een eventuele vordering van Koper op
RBSovereenkomstig artikel 1.4 en/of 3.3 van deze Overeenkomst in verband met bedragen die abusievelijk door Opdrachtgevers aan
Verkoperzijn betaald in verband met diensten die vanaf de Overnamedatum door Koper zijn uitgevoerd en die om die reden door de betreffende Opdrachtgever aan
Verkoperbetaald had moeten worden respectievelijk bedragen die
Verkoperaan het Personeel en/of de in artikel 3.3 bedoelde derden had moeten betalen, maar die niet door
Verkoperzijn betaald en die om welke reden ook door Koper op grond van een wettelijke grondslag aan het Personeel en/of die derden voldaan zijn. Die vordering mag door Koper worden verrekend met de vordering van
RBSin verband met de betaling van de Overnamesom voor Overgenomen Onderdelen van
RBS.
4.20.
Ook in dit kader gaat de rechtbank ervan uit dat de verkoper en de koper met de door hen gekozen bewoordingen een welbewuste afbakening van de reikwijdte van de betreffende bepalingen hebben beoogd. In de tekst van artikel 8.4 wordt een aantal keren alleen RBS genoemd, hetgeen in beginsel indiceert dat is bedoeld de reikwijdte van deze bepaling te beperken tot RBS. Voor wat betreft de verplichting uit artikel 1.4 van de overnameovereenkomst, om na de overnamedatum van opdrachtgevers ontvangen betalingen door te betalen aan de koper, is dat naar het oordeel van de rechtbank inderdaad het geval en is dit alleen van toepassing op RBS en niet op CD. Artikel 1.4 gaat immers uitsluitend over RBS. De koper komt dan ook ten aanzien van deze verplichtingen jegens CD geen beroep op verrekening toe.
4.21.
De verplichtingen uit artikel 3.3, waarnaar artikel 8.4 ook verwijst, zijn van toepassing op ‘Verkoper’. Deze term wordt - ook blijkens het voorblad van de overnameovereenkomst - in de overnameovereenkomst gebruikt als aanduiding voor RBS en CD gezamenlijk. De koper heeft onweersproken aangevoerd – en dit blijkt ook uit het dossier - dat de uitzondering op het verrekenverbod met betrekking tot artikel 3.3 op het laatste moment aan artikel 8.4 is ingevoegd, waarbij kennelijk over het hoofd is gezien dat de aanduiding ‘RBS’ in de laatste zin van artikel 8.4 ook zou moeten worden gewijzigd. De curator heeft geen goede reden aangedragen waarom het de verkoper en de koper voor ogen zou kunnen hebben gestaan om de uitzondering op het verrekenverbod met betrekking tot vorderingen uit hoofde van artikel 3.3 van de overnameovereenkomst, die betrekking heeft op RBS én CD, in artikel 8.4 tot RBS te beperken. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat sprake is van een kennelijke misslag bij het formuleren van de tekst van artikel 8.4 van de overnameovereenkomst, waarbij – voor zover het vorderingen uit hoofde van artikel 3.3 betreft – in de laatste zin per abuis de aanduiding ‘RBS’ is blijven staan, in plaats van ‘Verkoper’. Dat betekent dat de uitzondering op het verrekenverbod met betrekking tot vorderingen uit hoofde van artikel 3.3 van de overnameovereenkomst, waaronder ook de vordering van de koper ten aanzien van reserveringen voor uitzendkrachten valt, (wel) mede op CD van toepassing is.
Slotsom
4.22.
Het beroep van de koper op verrekening slaagt, ten opzichte van de vordering betreffende zowel RBS als CD, voor zover deze de reserveringen voor het uitzendpersoneel betreft zoals opgesomd onder 4.3. Zoals eerder overwogen, heeft de curator niet betwist dat de koper betalingen heeft gedaan aan het overgenomen (uitzend)personeel. Tegenover de enkele betwisting ‘bij gebrek aan wetenschap’ door de curator, heeft de koper de omvang van deze bedragen voldoende onderbouwd, onder meer door het overleggen van productie 7 bij conclusie van antwoord. Aan het ter zitting gedane verzoek van de curator om een akte te mogen nemen over de omvang van de gestelde reserveringen gaat de rechtbank, mede gelet op artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, voorbij. De curator was er ten tijde van het opstellen van de dagvaarding al mee bekend dat de koper zich beroept op verrekening en bovendien beschikte de curator al geruime tijd vóór de mondelinge behandeling over de conclusie van antwoord met producties. Hij heeft dus voldoende gelegenheid gehad om zijn stellingen aan te vullen voorafgaand aan de mondelinge behandeling. Daarbij komt nog dat partijen op verzoek van de curator tijdens de mondelinge behandeling toestemming hadden om te pleiten en pleitnotities over te leggen, waarvan ook gebruik is gemaakt.
4.23.
De vordering van de koper met betrekking tot de reserveringen voor uitzendkrachten, overtreft de vorderingen van de curator (namens RBS en CD) met betrekking tot de koopprijs. De vorderingen van de curator zullen dan ook worden afgewezen. De overige door de koper bij wijze van verrekeningsverweer gestelde vorderingen op de verkoper hoeven bij die stand van zaken hier niet besproken te worden.
Proceskosten, wettelijke rente en uitvoerbaar bij voorraad verklaring
4.24.
De curator is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van de koper vergoeden. Deze worden begroot op:
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
5.428,00
(2 punten × € 2.714,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
12.467,00
4.25.
De proceskostenveroordeling zal, zoals door de koper gevorderd, worden vermeerderd met wettelijke rente en uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
wijst de vorderingen van de curator af;
5.2.
veroordeelt de curator in de proceskosten van € 12.467,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de curator niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan wordt dit bedrag vermeerderd met € 92,00 plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag waarop de proceskosten volledig zijn betaald;
5.3.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. Kelkensberg en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2025.
Type: 3390

Voetnoten

1.HR 20 februari 2004, NJ 2005/493 (DSM/Fox).