ECLI:NL:RBDHA:2025:23609
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet-tijdig beslissen op asielaanvraag van Syriër
In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag uitspraak gedaan over het beroep van een eiser, afkomstig uit Syrië, die stelde dat de minister van Asiel en Migratie niet tijdig had beslist op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel. De aanvraag was op 14 augustus 2024 ingediend, en volgens de wet moet de minister binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen. Echter, er gold een besluitmoratorium voor Syrië van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025, wat invloed had op de beslistermijn. De rechtbank oordeelde dat de minister de beslistermijn had verlengd, maar deze verlenging was ingetrokken, waardoor de standaard beslistermijn van zes maanden weer van toepassing was. De eiser had de minister op 29 juli 2025 in gebreke gesteld, maar de rechtbank concludeerde dat deze ingebrekestelling te vroeg was ingediend, aangezien de beslistermijn op dat moment nog niet verstreken was. Hierdoor werd het beroep van de eiser als kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank besloot dat er geen aanleiding was voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door rechter G.P. Loman en griffier J.M. Pattynama, en werd op 20 oktober 2025 openbaar gemaakt.