ECLI:NL:RBDHA:2025:23604

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
09/223833-25, 09/292648-24 (tul) en 10/046789-24 (tul)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 45 SrArt. 287 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot doodslag na slaan van slachtoffer op trap met voorwaardelijke gevangenisstraf

Op 14 augustus 2025 sloeg de verdachte het slachtoffer met kracht in het gezicht, waardoor het slachtoffer achterwaarts van een stenen trap viel en ernstig letsel opliep. De rechtbank oordeelde dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard, waarmee sprake is van voorwaardelijk opzet op doodslag.

Tijdens de terechtzitting op 27 november 2025 werd het bewijs besproken, waaronder verklaringen en camerabeelden. De verdediging betoogde vrijspraak, maar de rechtbank vond het bewezen dat de verdachte het voorgenomen misdrijf heeft uitgevoerd, zij het niet voltooid.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 18 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht bij de reclassering en behandeling. Tevens werd de tenuitvoerlegging bevolen van eerdere voorwaardelijke straffen wegens het niet naleven van voorwaarden. De straf weerspiegelt de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het recidiverisico.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden wegens poging tot doodslag.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/223833-25, 09/292648-24 (tul) en 10/046789-24 (tul)
Datum uitspraak: 11 december 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] ,
locatie [locatie] ,
op dit moment zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 27 november 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. I.G.M. Oostrom en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. M.M. Vié naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdachte wordt er – kort gezegd – van verdacht dat hij op 14 augustus 2025 in Delft [het slachtoffer] tegen het hoofd en/of lichaam heeft geslagen en/of geschopt, waardoor [het slachtoffer] van de trap is gevallen. Dit is primair ten laste gelegd als poging tot doodslag, subsidiair als zware mishandeling, meer subsidiair als poging tot zware mishandeling en meest subsidiair als mishandeling.
De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde, te weten poging tot doodslag van [het slachtoffer] .
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft namens de verdachte betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde feit. Wat het meest subsidiaire feit – de mishandeling – betreft, refereert zij zich aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden zijn als bijlage II bij dit vonnis gevoegd.
De bewijsmiddelen worden steeds gebruikt voor dat feit of die feiten waarop ze blijkens hun inhoud betrekking hebben.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 14 augustus 2025 in Delft de aangever in het gezicht heeft geslagen, waardoor deze achterstevoren van een stenen trap naar beneden is gevallen.
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het handelen van de verdachte kan worden gekwalificeerd als een poging tot doodslag. Om tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag te komen, moet worden bewezen dat de verdachte opzet op de dood van de aangever had, al dan niet in voorwaardelijke vorm.
De rechtbank kan niet vaststellen dat de verdachte als doel had aangever van het leven te beroven, zodat zij geen bewijs ziet voor vol opzet bij de verdachte.
De rechtbank moet vervolgens onderzoeken of sprake was van voorwaardelijk opzet op de dood van de aangever. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. De aard van het gevolg is daarbij niet bepalend.
De rechtbank overweegt dat het van dichtbij met kracht in het gezicht slaan van een persoon die – enkele treden lager dan de dader en met de rug naar het trapgat gekeerd – op een stenen trap staat en die door die klap achterwaarts van deze trap van tenminste tien treden naar beneden valt, de aanmerkelijke kans in het leven roept dat die persoon als gevolg daarvan zal komen te overlijden. Het hoofd is bij uitstek een vitaal deel van het lichaam, waarin zich zeer kwetsbare delen bevinden. Het is een algemene ervaringsregel dat het met het achterhoofd op een stenen ondergrond vallen kan leiden tot schedelfracturen, bloedingen onder de schedel of andere potentieel dodelijke verwondingen. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat een persoon die achterwaarts valt, niet of nauwelijks de mogelijkheid heeft om zijn val af te weren, zeker als dit op een trap gebeurt. Hierbij betrekt de rechtbank de verklaring van de verdachte dat hij zag dat de aangever onder invloed van alcohol was. Een persoon die dronken is, is minder goed in staat zijn evenwicht te behouden dan wel zichzelf bij een val op te vangen. Dit heeft de verdachte niet weerhouden van het gebruiken van geweld tegen het slachtoffer. Nadat de verdachte het slachtoffer al twee klappen had gegeven, is hij een derde maal naar het slachtoffer toegelopen, waarbij hij eerst langs het slachtoffer hoger de trap is opgelopen om pas daarna met kracht te slaan. De rechtbank ziet in het bestijgen van de trap een handeling die was bedoeld om overwicht te krijgen op het slachtoffer.
Het handelen van de verdachte is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard. De rechtbank zijn geen aanwijzingen gebleken dat de verdachte dit gevolg niet heeft gewild (zogenoemde contra-indicaties).
De rechtbank acht aldus bewezen dat de verdachte opzet had, in voorwaardelijke zin, op de dood van de aangever.
De rechtbank acht de primair ten laste gelegde poging tot doodslag dan ook wettig en overtuigend bewezen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte wettig en overtuigend bewezen dat:
hij op 14 augustus 2025 te Delft, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [het slachtoffer] van het leven te beroven, die [het slachtoffer] tegen het hoofd heeft geslagen ten gevolge waarvan die [het slachtoffer] van de trap is gevallen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden zoals die zijn geadviseerd door de reclassering.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht te volstaan met een straf waarbij het onvoorwaardelijk gedeelte gelijk is aan de reeds door de verdachte in voorlopige hechtenis doorgebrachte periode, in combinatie met een voorwaardelijk deel.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag. De verdachte is verhaal gaan halen bij het – hem onbekende – slachtoffer vanwege dingen die deze naar anderen zou hebben geroepen. De daarop ontstane woordelijke discussie is al snel overgegaan in het plegen van geweld door de verdachte, die het slachtoffer eerst tweemaal in het gezicht heeft geslagen en daarna, na enige verdere discussie, is teruggelopen om het slachtoffer nogmaals te slaan. Na deze derde klap is het slachtoffer achterover gevallen en heeft hij daarbij met zijn hoofd de stenen trap(treden) geraakt. Hij is met een hevig bloedende hoofdwond met spoed naar het ziekenhuis vervoerd en bleek onder meer een impressiefractuur aan zijn schedel te hebben opgelopen.
De ervaring leert dat dergelijke feiten een grote impact op slachtoffers hebben, die nog lange tijd de lichamelijke en/of psychische gevolgen kunnen ervaren. Dit alles heeft plaatsgevonden op de trap naar het perron van een treinstation, waar zich op dat moment andere reizigers en voorbijgangers bevonden. Dergelijke feiten versterken de in de samenleving bestaande gevoelens van onveiligheid.
Verder heeft de verdachte meteen nadat hij zag dat het slachtoffer van de trap naar beneden viel, het station verlaten, waarbij hij het op de trap gelegen slachtoffer heeft gepasseerd zonder zich verder te bekommeren om diens toestand. De rechtbank rekent dit alles de verdachte zwaar aan.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 6 november 2025, waaruit volgt dat sprake is van instabiliteit op vrijwel alle leefgebieden en van een hoog recidiverisico, waarbij zijn middelengebruik, houding en psychosociaal functioneren direct delictgerelateerd zijn.
De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte aan hem op te leggen een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling (met de mogelijkheid tot kortdurende klinische opname), het meewerken aan middelencontrole en het zich houden aan aanwijzingen van de reclassering.
De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard zich te zullen houden aan voornoemde bijzondere voorwaarden indien de rechtbank deze aan hem zou opleggen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 17 november 2025. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij in de afgelopen jaren tweemaal onherroepelijk is veroordeeld voor diefstal en het huidige feit heeft gepleegd tijdens twee lopende proeftijden.
Strafoplegging
Gelet op de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
Alles afwegende, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes voorwaardelijk, passend en geboden.
De rechtbank zal een deel van de straf voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet.

7.De vorderingen tot tenuitvoerlegging

7.1
De vorderingen van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vorderingen van 2 oktober 2025 gevorderd dat de bij parketnummer 10-046789-24 door de politierechter in de rechtbank Rotterdam op 21 mei 2024 opgelegde voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van één week, en de bij parketnummer 09-292648-24 door de politierechter in deze rechtbank op 13 september 2024 voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf van zeven dagen – met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht – beide ten uitvoer worden gelegd wegens het niet naleven van de algemene voorwaarden.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de vorderingen af te wijzen en de proeftijd te verlengen, omdat het huidige feit een ander feit is dan die uit 2024. Het is volgens de verdediging nu vooral belangrijk dat de verdachte zo snel mogelijk kan starten met de hulp die de reclassering wil bieden.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Anders dan de verdediging acht de rechtbank termen aanwezig voor toewijzing van de vorderingen van de officier van justitie van 2 oktober 2025 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraffen.
Gebleken is immers dat de verdachte de algemene voorwaarden niet heeft nageleefd, doordat hij zich voor het einde van de proeftijd(en) die bij voormelde vonnissen waren opgelegd, wederom schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals die ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8 De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
poging tot doodslag;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde feit strafbaar;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
18 (ACHTTIEN) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
6 (ZES) MAANDEN, niet zal worden ten uitvoer gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich binnen 5 dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij GGZ Reclassering Fivoor Rotterdam op het adres Marconistraat 2. De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- zich laat behandelen door het Ambulant Centrum Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal de veroordeelde zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorg instelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt;
- meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol/drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd;
geeft opdracht GGZ Reclassering Fivoor tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
de vorderingen tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf
gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter van de rechtbank Rotterdam d.d. 21 mei 2024 2024, gewezen onder parketnummer 19-046046789-24, te weten een gevangenisstraf voor de duur van één week;
gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter in deze rechtbank dd. 13 september 2024, gewezen onder parketnummer 09-292648-24, te weten een gevangenisstraf voor de duur van zeven dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.G. Egter van Wissekerke, voorzitter,
mr. V.J. de Haan, rechter,
mr. J.M. Meester, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. C.W.I. Ostendorf griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 december 2025.
Bijlage I: tekst tenlastelegging
hij op of omstreeks 14 augustus 2025 te Delft, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [het slachtoffer] van het leven te beroven, die [het slachtoffer] op/tegen het hoofd en/of op/tegen het lichaam heeft geslagen en/of geschopt ten gevolge waarvan die [het slachtoffer] van de trap is gevallen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 augustus 2025 te Delft, althans in Nederland, aan een ander, te weten [het slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel te weten een schedelbreuk en/of een ontsierend litteken en/of een hoofdwond heeft toegebracht, door die [het slachtoffer] op/tegen het hoofd en/of op/tegen het lichaam te slaan en/of te schoppen ten gevolge waarvan die [het slachtoffer] van de trap is gevallen;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 augustus 2025 te Delft, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [het slachtoffer]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [het slachtoffer] op/tegen het hoofd en/of op/tegen het lichaam heeft geslagen en/of geschopt ten gevolge waarvan die [het slachtoffer] van de trap is gevallen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 augustus 2025 te Delft, althans in Nederland, [het slachtoffer] heeft mishandeld, door die [het slachtoffer] op/tegen het hoofd en/of op/tegen het lichaam te slaan en/of te schoppen ten gevolge waarvan die [het slachtoffer] van de trap is gevallen.
Bijlage II: bewijsmiddelen
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met nummer PL1500-2025275488, van de politie Eenheid Den Haag, District Westland-Delft, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1-260).
1. Het proces-verbaal van aangifte van [het slachtoffer] , opgemaakt op 15 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 143):
Ik wens bij deze aangifte te doen van mishandeling/poging doodslag/openlijk geweld en dit gepleegd ten opzichte van mij en wel op donderdag 14 augustus 2025.
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 15 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 43):
Op 14 augustus 2025 was ik, verbalisant, belast met noodhulpsurveillance en bevond ik mij op de openbare weg te Delft, Station Campus.
Ter plaatse aangekomen zag ik dat er een man op de trap lag. Deze trap geeft toegang tot perron 1 en 2 van het Station Campus. Ik zag dat de man op zijn rug lag met zijn hoofd naar beneden richting de grond. Ik zag dat zijn hoofd ter hoogte van trede vier lag. Ik zag dat een omstander de man zijn hoofd stabiliseerde en ik zag dat er veel bloed bij het hoofd van de man lag.
3. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt op 15 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 36):
V: Met welke hand sloeg je?
A: Met rechts.
V: En waar raakte je hem op het lichaam?
A: Op zijn gezicht. Op zijn wang.
V: Wat gebeurde er toen nadat je hem had geslagen? Nadat ik hem had geslagen, toen had hij zijn evenwicht verloren. Hij was dronken en hij was van de trap gevallen.
V: Met hoeveel kracht had je hem geslagen?
A: Best hard, zodat het ook voelbaar was.
4. Het proces-verbaal van getuige [getuige] , opgemaakt op 15 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 134):
V: Hoe kan het dat die man valt?
A: Nou, dat was zo, een vriend van mijn vriendin was met de man aan het discussiëren. De man was echt heel dronken. De vriend van mijn vriendin had hem toen in het gezicht geslagen.
V: Kan het zo zijn dat hij viel doordat hij werd geslagen? Hoeveel tijd zat ertussen de klap en de val.
A: Dat kan goed zijn dat het hierdoor kwam.
5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 16 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 139);
Ik, verbalisant, bekeek de camerabeelden van perron 4 op Station Delft campus van donderdag 14 augustus 2025 vanaf 21.25 uur.
Ik zag dat [de verdachte] , na 12 minuten en 55 seconden, de trap op liep. Ik zag dat hij hoger stond dan [het slachtoffer] en [naam] . Ik zag dat [de verdachte] vervolgens met kracht een slaande beweging maakte. Ik zag dat hij hierbij zijn bovenlichaam indraaide, Ik kon niet zien of hij hier iemand mee raakte. Omdat [de verdachte] hoger stond dan [het slachtoffer] en voor hem stond, kom in [het slachtoffer] niet zien. Ik zag dat [de verdachte] na de slaande beweging de trap af liep. Ik zag dat [het slachtoffer] niet meer op de plek stond, waar hij stond voor de slaande beweging van [de verdachte] .