Uitspraak
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 26 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitnota van [eiser],
- de pleitnota van [gedaagde].
Rechtbank Den Haag
In deze zaak staat een executiegeschil centraal over een proceskostenveroordeling uit een vonnis van 29 augustus 2017 betreffende auteurs- en handelsnaamrechten. Eiser stelt dat de executoriale titel is vervallen omdat hij geen eis in de hoofdzaak heeft ingesteld binnen de gestelde termijn en dat executiemaatregelen onrechtmatig zijn. Gedaagde voert verweer en stelt dat de proceskostenveroordeling onverminderd van kracht is.
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 1019i Rv de voorlopige voorzieningen hun kracht verliezen indien geen hoofdzaak binnen de termijn wordt ingesteld en een verklaring wordt ingediend. Dit geldt echter niet voor de proceskostenveroordeling, die blijft bestaan zolang het vonnis niet is vernietigd. Executiemaatregelen zijn daarom toegestaan en er is geen sprake van misbruik van bevoegdheid.
Verder wordt vastgesteld dat de wettelijke rente vanaf 15 december 2018 wordt gevorderd, conform verjaring, en dat eiser geen belang heeft bij het subsidiaire verbod op executie van de rente. De proceskosten worden toegewezen aan gedaagde tot een maximum van € 6.000,00 conform indicatietarieven IE-zaken.
De kantonrechter wijst de vorderingen van eiser af en veroordeelt hem in de proceskosten, waarbij het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.
Uitkomst: De vorderingen van eiser worden afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten van € 6.000,00.