ECLI:NL:RBDHA:2025:23583

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
11953224 \ RL EXPL 25-20912
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Executiegeschil over auteurs- en handelsnaamrechten met betrekking tot proceskostenveroordeling

In deze zaak, die zich afspeelt in de Rechtbank Den Haag, heeft eiser een kort geding aangespannen tegen gedaagde met betrekking tot een executiegeschil. De kern van het geschil betreft de vraag of de voorlopige voorzieningen die zijn opgelegd in een eerder vonnis van 29 augustus 2017 nog van kracht zijn, nu eiser geen eis in de hoofdzaak heeft ingesteld binnen de gestelde termijn. De voorzieningenrechter oordeelt dat de voorlopige voorzieningen hun kracht hebben verloren, maar dat de proceskostenveroordeling uit het vonnis van 29 augustus 2017 nog steeds van kracht is. Eiser vordert onder andere een verbod op de executie van dit vonnis, maar de kantonrechter wijst deze vorderingen af. De rechter concludeert dat gedaagde recht heeft op de executie van de proceskostenveroordeling, aangezien deze niet is komen te vervallen. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van de procedure, die zijn vastgesteld op € 6.000,00. De uitspraak is gedaan op 11 december 2025.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
esp/c
Zaaknummer: 11953224 \ RL EXPL 25-20912
Vonnis in kort geding van 11 december 2025
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. F.L.P. Vulto, te Den Haag,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. R.H.P. van der Venne, te Zutphen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 18 november 2025,
- de akte producties van [eiser],
- de akte overlegging producties en kostenopgave ex artikel 1019 Rv van [gedaagde],
- de mailbrief met productie 12 van [eiser],
- de mondelinge behandeling van 26 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitnota van [eiser],
- de pleitnota van [gedaagde].

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] en [eiser] hebben in augustus 2017 geprocedeerd over auteurs- en handelsnaamrechten. [gedaagde] heeft in kort geding gevorderd om [eiser] (en twee medegedaagden) te verbieden inbreuk te maken op aan hem toekomende auteurs- en handelsnaamrechten. Bij vonnis van 29 augustus 2017, met zaaknummer C/05/324386/KG ZA 17-383, (hierna het vonnis van 29 augustus 2017) heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland – voor zover hier van belang – aan [eiser] (en twee medegedaagden) een aantal verboden opgelegd en vervolgens beslist:
“(…)
5.7.
veroordeelt [gedaagden 1 en 2] en [eiser] tot betaling van de proceskosten tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 6.980,30 waarin begrepen € 6.000,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis,
5.8.
veroordeelt [gedaagden 1 en 2] en [eiser], onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [gedaagde] volledig aan dit vonnis voldoen, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 131,00 aan salaris advocaat. vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,
- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met dc wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening,
5.9.
bepaalt de termijn als bedoeld in artikel 1019i Rv op zes maanden na de datum van dit vonnis (…)”
2.2.
Bij exploot van 31 augustus 2017 is het vonnis van 29 augustus 2017 aan [eiser] betekend en is aan hem bevel tot betaling gedaan.
2.3.
Bij brief van 15 december 2023 heeft [gedaagde] [eiser] gesommeerd de proceskosten te betalen met inbegrip van rente en kosten.
2.4.
Op 2 januari 2024 heeft [eiser] een verklaring als bedoeld in artikel 1019i lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bij de griffie van de rechtbank Gelderland ingediend. Dezelfde dag heeft [gedaagde] daarvan een kopie ontvangen. De griffie heeft [eiser] de ontvangst van zijn verklaring bevestigd.
2.5.
Bij exploot van 13 februari 2025 heeft [gedaagde] [eiser] een hernieuwd bevel tot betaling gedaan.
2.6.
Op 31 oktober 2025 heeft [gedaagde] executoriaal beslag laten leggen op de woning van [eiser] en is het proces-verbaal daarvan ingeschreven in de openbare registers. De beslagstukken zijn op 3 en 5 november 2025 betekend aan [eiser] en de hypotheekhouder.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – dat de kantonrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
I. [gedaagde] verbiedt het vonnis van 29 augustus 2017 ten uitvoer te leggen en/of enige (verdere) executiemaatregelen op grond van dat vonnis te treffen;
II. [gedaagde] veroordeelt om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis het op 3 november 2025 gelegde executoriale beslag op de onroerende zaak van [eiser] te Den Haag op te (doen) heffen en door te halen in de openbare registers, onder afgifte van bewijs daarvan aan [eiser];
III. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 25.000,00 voor iedere overtreding van het onder I. bepaalde, en voor iedere dag (een dagdeel daaronder begrepen) dat hij in gebreke blijft aan de veroordeling onder II. te voldoen, met een maximum van € 250.000,00;
subsidiair (voor zover de titel niet vervallen en de executie niet onrechtmatig wordt geacht):
IV. [gedaagde] verbiedt executiemaatregelen te treffen voor de inning van wettelijke rente die is verschenen tussen 29 augustus 2017 en 15 december 2018, in verband met verjaring;
in alle gevallen:
V. [gedaagde] veroordeelt in de volledige proceskosten ex artikel 1019h Rv, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en [gedaagde] veroordeelt in de nakosten.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. Het door [gedaagde] gelegde beslag is onrechtmatig omdat daarvoor geen rechtsgrond is. De executoriale kracht van het vonnis van 29 augustus 2017 is op 2 januari 2024 definitief komen te vervallen. Voor het geval wordt geoordeeld dat de executoriale titel formeel niet is vervallen, is de ingezette executie te kwalificeren als misbruik van bevoegdheid. Voor zover de executie ziet op de inning van de wettelijke rente over de volledige periode vanaf 2017 is deze onrechtmatig omdat deze gedeeltelijk is verjaard.
3.3.
[gedaagde] voert gemotiveerd verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de redelijke en evenredige kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Spoedeisendheid
4.1.
Het spoedeisend belang bij de vorderingen van [eiser] vloeit voort uit de aard daarvan, te weten een verbod tot executie. Het spoedeisend belang is overigens door [gedaagde] niet weersproken.
Executiegeschil
4.2.
In een executiegeschil kan de kantonrechter de tenuitvoerlegging van een vonnis slechts schorsen, indien zij van oordeel is dat de executant geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Daarbij moet ook gelet worden op de belangen van de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.
Artikel 1019i Rv
4.3.
Tussen partijen is niet in discussie dat ten aanzien van het geschil waarop het vonnis van 29 augustus 2017 ziet, tussen partijen geen bodemprocedure heeft plaatsgevonden binnen de termijn die in dat vonnis is gesteld (en ook niet daarna). Artikel 1019iRv bepaalt in dat geval dat de getroffen voorlopige voorziening haar kracht verliest vanaf het moment dat de gedaagde een daartoe strekkende verklaring bij de griffie indient. Is de verklaring ingediend na het verstrijken van de gestelde termijn, dan verliest de voorlopige voorziening haar kracht met de indiening van de verklaring. Dat [eiser] op 2 januari 2025 deze verklaring heeft ingediend, staat vast. De vraag die in dit geding voor ligt, is of de verklaring tot gevolg heeft dat ook de veroordeling tot betaling van de proceskosten opgenomen in het vonnis van 29 augustus 2017, haar kracht heeft verloren. Volgens [eiser] is dat het geval en is er daarom reden aan [gedaagde] een verbod tot executie van de proceskostenveroordeling op te leggen. [gedaagde] meent dat de proceskostenveroordeling daardoor niet wordt getroffen en nog steeds van kracht is.
4.4.
Artikel 1019i Rv, dat (voor zover hier van belang) van toepassing is op handhaving van auteursrechten en op handelsnaamgeschillen, is een uitvoering van artikel 50 lid 6 van het TRIPs-verdrag (Agreement on Trade-Related Aspects of Intellectual Property Rights) en artikel 9 lid 5 van de IE-Handhavingsrichtlijn (Richtlijn 2004/48/EG betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten). Artikel 50 lid 6 TRIPs luidt in de authentieke Engelse taal: "Without prejudice to paragraph 4, provisional measures taken on the basis of paragraphs 1 and 2 shall, upon request by the defendant, be revoked or otherwise cease to have effect, if proceedings leading to a decision on the merits of the case are not initiated within a reasonable period, to be determined by the judicial authority ordering the measures where a Member's law so permits or, in the absence of such, a determination, not to exceed 20 working days or 31 calendar days, whichever is the longer."
Waarbij “paragraphs 1 en 2” verwijzen naar “prompt and effective provisional measures:
(…) to prevent an infringement of any intellectual property right from occurring, and in particular to prevent the entry into the channels of commerce in their jurisdiction of goods, (…) to preserve relevant evidence in regard to the alleged infringement” en “provisional measures inaudita altera parte where appropriate”.
4.5.
Uit uitspraken van het Hof van Justitie van de EU volgt dat artikel 50 lid 6 TRIPs-verdrag geen directe werking heeft; de nationale rechter moet het nationale recht zo veel mogelijk toepassen in het licht van de bewoordingen en het doel van dit artikel. Een getroffen voorziening in het kader van een kortgedingprocedure valt onder de werking van artikel 50 lid 6 TRIPs-verdrag (HvJ 16 juni 1998 ECLI:EU:C:1998:292, Hermes/FHT en HvJ ECLI:EU:C:2001:438, Schieving-Nijstad).
4.6.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat wanneer de eis in de hoofdzaak niet binnen de gestelde termijn is ingesteld en verklaring is gedaan, slechts de voorlopige voorzieningen bedoeld in artikel 1019i Rv hun kracht verliezen. Dat zijn in dit geval de op aan [gedaagde] toekomende auteursrechten en handelsnaamrechten uitgesproken verboden. Uit artikel 1019i Rv volgt niet dat een proceskostenveroordeling in een vonnis waarvan de voorlopige voorzieningen hun kracht hebben verloren daarmee ook komt te vervallen. Zolang het vonnis van 29 augustus 2017 ten aanzien van de proceskostenveroordeling niet wordt vernietigd, blijft de proceskostenveroordeling in dit vonnis in stand en is [gedaagde] gerechtigd over te gaan tot executie van deze veroordeling.
Misbruik van bevoegdheid
4.7.
Uit het voorgaande volgt dat artikel 1019i Rv er niet aan in de weg staat dat [gedaagde] executiemaatregelen neemt om betaling te verkrijgen van de kostenveroordeling uit het vonnis van 29 augustus 2017. Dat een eerder door [gedaagde] voor de executie ingeschakelde deurwaarder de executie niet aandurfde en [gedaagde] vervolgens een andere deurwaarder heeft aangezocht die daartoe wel over wilde gaan, leidt dan ook niet tot misbruik van recht.
4.8.
Een afweging van de wederzijdse belangen kan tenslotte evenmin leiden tot een verbod om te executeren. Het door [gedaagde] gelegde beslag op de woning van [eiser] zal de door hem in gang gezette herfinanciering bemoeilijken. Dat het beslag met geen ander doel is gelegd om [eiser] te schaden, blijkt echter nergens uit. [gedaagde] heeft er recht op en belang bij dat zijn vordering wordt betaald en hij heeft een titel om tot executie over te gaan. Dat het voor [eiser] onmogelijk is om tot betaling over te gaan of dat sprake is van een noodsituatie, is niet door hem gesteld en is niet gebleken. Ook uit de wijze waarop [gedaagde] de executie heeft aangevangen, volgt niet dat hij zijn bevoegdheid misbruikt.
4.9.
Gelet hierop worden [eiser]’s vorderingen hiervoor onder I., II., en III. genoemd, afgewezen.
Verjaring
4.10.
Tussen partijen is niet in geschil dat als gevolg van verjaring, de wettelijke rente waar [gedaagde] een beroep op kan doen, begint te lopen op 15 december 2018. Voor zover [gedaagde] in correspondentie is uitgegaan van een eerdere ingangsdatum van de wettelijke rente, blijkt uit zijn (onweersproken gebleven) berichten van 7 juni 2025 aan de deurwaarder en [eiser] dat hij dit heeft rechtgezet en bij zijn instructies aan de deurwaarder duidelijk heeft gemaakt dat hij slechts aanspraak maakt op wettelijke rente vanaf 15 december 2018. Met deze correctie ruim voor het uitbrengen van de dagvaarding in deze procedure, is duidelijk dat [gedaagde] geen beroep doet op wettelijke rente verschenen vóór 15 december 2018. Daarmee valt niet in te zien welk belang [eiser] heeft bij het door hem subsidiair gevorderde verbod, zodat deze vordering wordt afgewezen.
Proceskosten
4.11.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [gedaagde] heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van redelijke en evenredige kosten zoals bedoeld in artikel 1019h Rv. Hij heeft zijn kosten gespecificeerd tot een bedrag van € 4.759,33 voor werkzaamheden van zijn advocaat tot en met 24 november 2025 en een bedrag van € 1.694,00 voor werkzaamheden daarna. Omdat [gedaagde] de BTW niet kan verrekenen, is hij uitgegaan van bedragen inclusief BTW. Ook heeft [gedaagde] gewezen op de facturen van de deurwaarder die zijn advocaat aan hem heeft doorbelast voor een totaal van € 1.184,50.
4.12.
Deze zaak is een zaak ter handhaving van intellectuele eigendomsrechten bedoeld in artikel 1019 Rv. Om de redelijkheid en evenredigheid van de opgevoerde kosten te kunnen beoordelen, sluit de kantonrechter aan bij de Indicatietarieven in IE-zaken (versie april 2017). De daarin vermelde tarieven worden geacht redelijk en evenredig te zijn. Deze zaak valt naar het oordeel van de kantonrechter onder categorie I. sub b. een eenvoudig kort geding waarvoor een maximum van € 6.000,00 geldt. Zoals uit de door [gedaagde] gegeven toelichting blijkt, houden de opgegeven buitengerechtelijke incassokosten verband met werkzaamheden van de deurwaarder ter executie van de proceskostenveroordeling in het vonnis van 29 augustus 2017. Het gaat daarmee niet om kosten die in het kader van deze procedure zijn gemaakt. Gelet op het voorgaande wordt een bedrag van € 6.000,00 toegewezen. Het meer gevorderde wordt afgewezen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 6.000,00,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A.W. Schippers en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2025.