Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.[gedaagde 1] te [woonplaats 2] ,2. [gedaagde 2] te [woonplaats 2] ,
1.Waar gaat deze zaak over?
2.De procedure
3.De feiten
4.Het geschil
5.De beoordeling
€ 76.500. Het bedrag van € 50.000 dat de bv van [eiser] aan de Belastingdienst zou moeten betalen, is volgens [gedaagden] geen schade geleden door [eiser] zelf, maar door zijn bv. Ten aanzien van de gestelde schade van € 15.000 door de verkoop van de woning aan een derde, is het volgens [gedaagden] – gelet op het taxatierapport van 2024 en de huidige marktomstandigheden – onvoorstelbaar dat [eiser] de woning niet voor een gelijke verkoopprijs heeft kunnen verkopen aan een derde. Bovendien hebben [gedaagden] hun uiterste best gedaan om de financiering te verkrijgen en is de gevorderde boete een aanzienlijk bedrag voor [gedaagden] als particulieren. Ten slotte is de situatie een gevolg van een misverstand, dat juist is ontstaan door toedoen van [eiser] . Het is dan niet redelijk deze boete als sanctie aan [gedaagden] tegen te werpen, zo stellen zij.
Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 6:94 BW Pro volgt dat de rechter slechts met terughoudendheid gebruik mag maken van zijn bevoegdheid tot matiging van een contractuele boete. Deze terughoudendheid vindt haar rechtvaardiging in het uitgangspunt van contractsvrijheid. De partijafspraken dienen in beginsel gerespecteerd te worden, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die afwijking rechtvaardigen. Daar komt bij dat het boetebeding twee functies heeft: enerzijds fungeert zij als prikkel tot nakoming, anderzijds vermijdt zij de discussie omtrent de schadebegroting in geval van een tekortkoming, doordat op voorhand een forfaitair bedrag is afgesproken. In geval van matiging van de contractuele boete zouden deze twee functies teniet kunnen worden gedaan en zou de rechtszekerheid afnemen.
€ 178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)