Uitspraak
1.De procedure
- de dagvaarding met productie 1 t/m 4 van 4 maart 2025;
- de conclusie van antwoord van 4 juni 2025;
- de akte aanvullende producties van de zijde van [eisende partij] .
Rechtbank Den Haag
In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Den Haag op 13 november 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen een eisende partij, h.o.d.n. [handelsnaam], en de besloten vennootschap BTX AANNEMERSBEDRIJF B.V. De eisende partij vorderde betaling van een bedrag van € 3.194,63, bestaande uit een hoofdsom van € 2.654,55, incassokosten van € 390,46 en wettelijke handelsrente. De eisende partij stelde dat er een mondelinge overeenkomst van aanneming van werk bestond, waaruit de vordering voortvloeide. BTX voerde verweer en stelde dat er sprake was van verrekening van bedragen die de eisende partij verschuldigd was voor huur en gebruik van gereedschap. Tijdens de mondelinge behandeling op 15 oktober 2025 werd duidelijk dat BTX een bedrag van € 1.272,00 aan de eisende partij had nabetaald, wat leidde tot de conclusie dat er een verrekening had plaatsgevonden. De kantonrechter oordeelde dat de vordering van de eisende partij moest worden afgewezen, omdat BTX geen bedrag meer verschuldigd was. Tevens werd de eisende partij veroordeeld in de proceskosten van € 595,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving.