De zaak betreft een verzoek van een werknemer, werkzaam bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ), die een dwangsom eist omdat hij meent dat BZ niet voldoet aan een eerdere rechterlijke beschikking tot wedertewerkstelling. De werknemer was sinds oktober 2022 in dienst bij BZ als Operationeel Manager in opleiding, na een lange loopbaan bij het Ministerie van Defensie.
In een eerdere beschikking van 3 december 2024 werd BZ veroordeeld om de werknemer binnen drie maanden toe te laten tot zijn opleidingstraject, dat toen nog niet was voltooid. BZ heeft vervolgens een stage van zes weken op een ambassade in Rome aangeboden als onderdeel van dit traject. De werknemer heeft dit aanbod afgewezen omdat hij van mening is dat hij zijn opleiding al heeft afgerond en nu werkzaamheden wil verrichten buiten het opleidingstraject.
De kantonrechter oordeelt dat BZ aan de veroordeling heeft voldaan door het stageaanbod te doen, en dat de werknemer dit aanbod niet heeft geaccepteerd. De eerdere beschikking is onherroepelijk en de juistheid van de daarin opgenomen overwegingen kan in deze procedure niet worden betwist. Het verzoek tot betaling van een dwangsom wordt daarom afgewezen, en de proceskosten worden aan de werknemer opgelegd.