ECLI:NL:RBDHA:2025:23484

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
11883235 \ RP VERZ 25-50705
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot betaling dwangsom wegens niet-naleving wedertewerkstelling afgewezen

De zaak betreft een verzoek van een werknemer, werkzaam bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ), die een dwangsom eist omdat hij meent dat BZ niet voldoet aan een eerdere rechterlijke beschikking tot wedertewerkstelling. De werknemer was sinds oktober 2022 in dienst bij BZ als Operationeel Manager in opleiding, na een lange loopbaan bij het Ministerie van Defensie.

In een eerdere beschikking van 3 december 2024 werd BZ veroordeeld om de werknemer binnen drie maanden toe te laten tot zijn opleidingstraject, dat toen nog niet was voltooid. BZ heeft vervolgens een stage van zes weken op een ambassade in Rome aangeboden als onderdeel van dit traject. De werknemer heeft dit aanbod afgewezen omdat hij van mening is dat hij zijn opleiding al heeft afgerond en nu werkzaamheden wil verrichten buiten het opleidingstraject.

De kantonrechter oordeelt dat BZ aan de veroordeling heeft voldaan door het stageaanbod te doen, en dat de werknemer dit aanbod niet heeft geaccepteerd. De eerdere beschikking is onherroepelijk en de juistheid van de daarin opgenomen overwegingen kan in deze procedure niet worden betwist. Het verzoek tot betaling van een dwangsom wordt daarom afgewezen, en de proceskosten worden aan de werknemer opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek tot betaling van een dwangsom wordt afgewezen omdat BZ heeft voldaan aan de eerdere beschikking door een stage aan te bieden.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
JB/bc
Zaaknummer / rekestnummer: 11883235 \ RP VERZ 25-50705
Beschikking van4december 2025
in de zaak van
[verzoeker],
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
procederend in persoon,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN, HET MINISTERIE VAN BUITENLANDSE ZAKEN,
te 's-Gravenhage,
verwerende partij,
hierna te noemen: BZ,
gemachtigde: mr. P.J. Mauser.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift 8 september 2025;
  • het verweerschrift;
  • de akte van [verzoeker] ;
  • de akte aanvullende producties van BZ;
1.2.
Op 6 november 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden waarbij [verzoeker] is verschenen. Voor BZ is verschenen [naam] , bijgestaan door mr. P.J. Mauser. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden.
1.3.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker] is sinds 1 oktober 2022 in dienst van BZ, aansluitend aan een aanstelling bij het Ministerie van Defensie, waar [verzoeker] meer dan 25 jaar werkzaam was bij de Koninklijke Marechaussee.
2.2.
Bij BZ is [verzoeker] in dienst gekomen als Operationeel Manager (in opleiding) (hierna: OM’er) bij de stafafdeling Bedrijfsvoering van de Hoofddirectie Bedrijfsvoering.
2.3.
Op 3 december 2024 heeft de kantonrechter bij beschikking in een eerdere procedure tussen partijen (hierna: de Beschikking) over de wedertewerkstelling als volgt overwogen:
‘4.29 Een en ander neemt niet weg dat werknemer niet meteen weer in zijn eigen functie als OM’er aan het werk kan. Immers is het opleidingstraject van werknemer nog niet voltooid. Zoals blijkt uit rechtsoverweging 2.5 zou het opleidingstraject van werknemer bestaan uit een stageperiode van zes tot acht maanden, waarvan slechts ongeveer drie maanden zijn doorlopen in Zwitserland en in Turkije.
4.3
Het voorgaande betekent dat werknemer in staat moet worden gesteld om zijn opleiding tot OM’er verder te voltooien. […]
4.31
In dat licht zal de kantonrechter het verzoek tot wedertewerkstelling in zoverre toewijzen dat BZ werknemer uiterlijk binnen drie maanden na heden weer moet toelaten tot zijn opleidingstraject tot OM’er. Omdat ervan mag worden uitgegaan dat BZ zich zal houden aan een rechterlijke uitspraak, ziet de kantonrechter vooralsnog geen aanleiding om aan deze verplichting een dwangsom te verbinden.
2.4.
De kantonrechter heeft in de Beschikking als volgt beslist:
‘5. De beslissing
De kantonrechter:
[…]
-
veroordeelt BZ om uiterlijk drie maanden na deze beschikking werknemer weer toe te laten tot zijn (afgebroken) opleidingstraject tot OM’er;
[…]’
2.5.
Op 18 februari 2025 heeft BZ aan [verzoeker] de volgende e-mail gestuurd:
‘Dag [verzoeker] ,
Zoals jou bekend, heeft de rechter bepaald dat jij binnen drie maanden na de uitspraak (van 3 december jl.) weer moet worden toegelaten tot het opleidingstraject tot OM-er. […]
BZ heeft zich de afgelopen tijd ingespannen om uitvoering te (kunnen) geven aan de uitspraak van de rechter en heeft de door de rechter bedoelde voorbereidingen getroffen. Uitkomst daarvan is dat je jouw opleidingstraject kunt vervolgen met een stage op een ambassade binnen Europa voor de duur van zes weken. Je kunt hier op korte termijn beginnen. […]’
2.6.
Op 26 februari 2025 heeft BZ per e-mail aan [verzoeker] laten weten dat de stage zal plaatsvinden op de ambassade in Rome en op korte termijn kan aanvangen.
2.7.
Naar aanleiding van een gesprek met [verzoeker] op 7 maart 2025 heeft BZ aan [verzoeker] de volgende e-mail gestuurd:
‘[…]In ons gesprek gaf je verder aan dat je het er niet mee eens bent dat je in Rome op stagebasis aan de slag gaat, in het kader van jouw opleidingstraject tot OM’er. Jij vertelde mij dat jij jouw opleidingstraject al hebt afgerond. Ik heb echter begrepen dat de kantonrechter BZ heeft veroordeeld om jou “weer toe te laten tot [jouw] (afgebroken) opleidingstraject tot OM’er”. Door jou een stage te bieden op de post in Rome, in het kader van jouw opleidingstraject tot OM’er, geeft BZ dus uitvoering aan de uitspraak van de kantonrechter. En zoals te doen gebruikelijk, wordt de stage afgesloten met een (verkorte) beoordeling. Ik begrijp uit ons gesprek en jouw e-mail dat jij hier anders tegenaan kijkt. Ik zou me daarom kunnen voorstellen dat we de uitvoering van de uitspraak (waaronder ook begrepen de terugbetaling van het aanloopvoorschot) voor nu even ‘parkeren’ en onderdeel maken van de mediation.[…]’

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter om BZ te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 250,00 per dag voor iedere dag dat zij geen uitvoering geeft aan de Beschikking van 3 december 2024. [verzoeker] legt hieraan ten grondslag dat BZ aan de veroordeling uit de Beschikking niet voldoet door hem niet in de gelegenheid te stellen zijn werk te hervatten. [verzoeker] voert hiertoe aan dat hij zijn opleiding heeft afgerond, waardoor BZ hem toe dient te laten tot het uitvoeren van werkzaamheden, die niet in het kader van een opleidingstraject plaatsvinden.
3.2.
BZ voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. BZ voert aan dat zij aan de veroordeling heeft voldaan door [verzoeker] een stage van zes weken in Rome aan te bieden ter afronding van zijn opleidingstraject. BZ betwist dus dat [verzoeker] zijn opleidingstraject heeft afgerond. Naast het aanbieden van een stage heeft BZ ingezet op mediation om het onderlinge vertrouwen te herstellen. Mediation heeft ook plaatsgevonden.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of BZ heeft voldaan aan de veroordeling uit de Beschikking. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft BZ aan deze veroordeling voldaan. Dit zal hierna worden toegelicht.
4.2.
De kantonrechter heeft BZ bij Beschikking veroordeeld om [verzoeker] toe te laten tot zijn opleidingstraject. De kantonrechter heeft in deze Beschikking overwogen dat het opleidingstraject van [verzoeker] nog niet was voltooid. Hiertegen is geen hoger beroep ingesteld. Beslissingen die zijn opgenomen in een in kracht van gewijsde gegaan beschikking (daartegen staat geen rechtsmiddel meer open), hebben in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht. Indien [verzoeker] van mening is dat hij zijn opleidingstraject heeft afgerond, had het op zijn weg gelegen om hoger beroep in te stellen tegen deze Beschikking. Nu dit niet is gebeurd, betekent dit dat de kantonrechter moet uitgaan van de juistheid van de overwegingen uit de Beschikking. In een procedure zoals deze is geen plaats om de juistheid van de overwegingen uit de Beschikking te toetsen.
4.3.
In dat kader ligt dus enkel de vraag voor of BZ [verzoeker] heeft toegelaten tot zijn opleidingstraject. Tussen partijen is niet in geschil dat BZ [verzoeker] een stageplaats heeft aangeboden in Rome. De kantonrechter is van oordeel dat BZ door dit aanbod [verzoeker] heeft toegelaten tot zijn opleidingstraject. Hiermee heeft BZ aan de veroordeling uit de Beschikking voldaan. [verzoeker] heeft dit aanbod niet geaccepteerd waardoor tot op heden nog geen (verdere) uitvoering is gegeven aan de Beschikking. De vraag of [verzoeker] dit aanbod – al dan niet terecht – heeft afgewezen, is niet relevant. Dat BZ tevens heeft ingezet op mediation en dat mediation heeft plaatsgevonden, maakt dit ook niet anders. Het verzoek van [verzoeker] zal dus worden afgewezen.
4.4.
De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] , omdat [verzoeker] ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van BZ worden begroot op € 949,00 (€ 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst het verzoek van [verzoeker] af;
5.2.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 949,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
5.3.
verklaart deze beschikking wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. N.F.H. van Eijk en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2025.