ECLI:NL:RBDHA:2025:23481

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
C/09/693895 / KG ZA 25-1067
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming van de echtelijke woning na echtscheiding en geschil over woonrecht

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 25 november 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen een man en een vrouw die van 2017 tot 2023 met elkaar gehuwd zijn geweest. De man, eigenaar van de echtelijke woning, vordert ontruiming van de woning door de vrouw, die met hun kinderen in de woning verblijft. De vrouw heeft bezwaar gemaakt tegen de verkoop van de woning door de man en stelt dat zij een woonrecht heeft. De rechtbank oordeelt dat de vrouw, gezien de huwelijkse voorwaarden, geen recht heeft op de woning en dat de man belang heeft bij ontruiming voorafgaand aan de verkoop. De vrouw moet de woning uiterlijk 1 februari 2026 verlaten. De vorderingen van de vrouw worden afgewezen, en de proceskosten worden gecompenseerd.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel - voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/09/693895 / KG ZA 25-1067
Vonnis in kort geding van 25 november 2025
in de zaak van
[de man]te [woonplaats] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. M.W. Huijzer,
tegen
[de vrouw]te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. R.N. Baldew.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 november 2025, met producties en aanvullende producties;
- de conclusie van antwoord met tegenvordering (reconventie), met producties.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 november 2025. De advocaat van de man heeft ter zitting het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd, en partijen hebben over en weer hun standpunten toegelicht en vragen van de voorzieningenrechter beantwoord. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen op hoofdlijnen afspraken gemaakt.
1.3.
Vonnis is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn van [datum 1] 2017 tot en met [datum 2] 2023 onder huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd geweest. Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:
- [de minderjarige 1] (hierna: [de minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum 1] 2017 te
[geboorteplaats 1] ;
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2023 te [geboorteplaats 2] ,
gemeente Westland.
2.2.
De vrouw is daarnaast moeder van een dochter, die op dit moment 14 jaar oud is.
2.3.
De man is eigenaar van de echtelijke woning aan de [adres] te [plaats 1] (hierna: de woning).
2.4.
In de echtscheidingsbeschikking van 10 mei 2023 heeft de rechtbank bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de vrouw hebben. Met betrekking tot het uitsluitend gebruik van de woning is in de echtscheidingsbeschikking het volgende overwogen:

Zoals eerder is overwogen is de man de eigenaar van de echtelijke woning. Partijen hebben op de zitting afgesproken dat de vrouw in de woning mag blijven gedurende maximaal zes maanden na de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Op die manier heeft de vrouw de tijd om een geschikte woning te vinden voor zichzelf en de kinderen. Het verzoek tot voortgezet gebruik van de echtelijke woning van ieder van partijen wordt afgewezen omdat partijen hieromtrent overeenstemming hebben bereikt.
2.5.
Begin december 2023 heeft de vrouw de woning met de kinderen verlaten. In januari 2024 is de vrouw met de kinderen in de woning teruggekeerd. Sindsdien wonen partijen gezamenlijk in de woning, met dien verstande dat de man sinds september 2025 veel op zijn werk is en geregeld bij zijn moeder verblijft. Sinds het vertrek van de vrouw uit de woning betaalt de man kinderalimentatie. De vrouw draagt niet bij in de woonlasten.
2.6.
Bij brief van 3 september 2025 heeft de man aan de vrouw meegedeeld dat hij de woning om financiële redenen te koop gaat zetten en de vrouw tot 30 november 2025 de gelegenheid heeft om andere woonruimte te zoeken.
2.7.
Bij brief van 8 september 2025 heeft de vrouw bezwaar gemaakt tegen de aankondiging van de man. Zij heeft in dat verband onder meer gesteld dat zij een woonrecht heeft verkregen en gewezen op de rechten en belangen van de kinderen.
2.8.
Bij brief van 24 oktober 2025 heeft de advocaat van de man de vrouw gesommeerd om hem uiterlijk 27 oktober 2025 schriftelijk te bevestigen dat zij de woning uiterlijk 30 november 2025 vrijwillig zal hebben verlaten. Aan deze sommatie heeft de vrouw geen gehoor gegeven.
2.9.
Op 28 oktober 2025 heeft de man de woning verkocht aan een derde. De woning moet uiterlijk op 2 maart 2026 worden geleverd.

3.Het geschil

3.1.
In conventie vordert de man bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – samengevat – de vrouw te veroordelen de woning te ontruimen met machtiging om de ontruiming zo nodig zelf op kosten van de vrouw ten uitvoer te doen leggen, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.
3.2.
De vrouw voert verweer. De vrouw concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de man, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.
3.3.
In reconventie vordert de vrouw bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
de man te verbieden de woning te verkopen, te vervreemden, te verhuren of daarin bezichtigingen te (laten) uitvoeren zolang de vrouw en de kinderen daar wonen, en in elk geval totdat in de bodemprocedure onherroepelijk is beslist over de geldigheid van de huwelijkse voorwaarden en de eigendomsverhoudingen;
De man te verbieden de woning te betreden of derden toegang te verlenen zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de vrouw of rechterlijke machtiging;
de man te gelasten iedere vorm van intimidatie, bedreiging of psychologische druk jegens de vrouw en/of de kinderen te staken en gestaakt te houden;
een en ander met veroordeling van de man in de proceskosten.
3.4.
De man voert verweer. De man concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat volgens de huwelijkse voorwaarden de man eigenaar is van de woning. De vrouw heeft in dit kort geding aangevoerd dat zij destijds niet wist waar zij voor tekende en dat zij onder druk werd gezet. Haar stellingen daarover zijn echter in het geheel niet onderbouwd, zodat de voorzieningenrechter daaraan voorbijgaat en het ervoor houdt dat de woning van de man is en niet (ook) van de vrouw.
4.2.
Aangezien partijen gescheiden zijn, de overeengekomen termijn van voortgezet gebruik van de vrouw van zes maanden is verstreken en de man wenst dat de vrouw de woning verlaat, is zij in beginsel gehouden de woning te verlaten. Omdat de man de woning heeft verkocht, heeft hij ook een evident belang dat de vrouw de woning voorafgaand aan de levering ontruimt. Tegenover het gemotiveerde verweer van de man heeft de vrouw niet aannemelijk gemaakt dat zij met betrekking tot de woning enig (woon)recht heeft, laat staan dat dit recht uitsluitend aan haar zou toekomen. In dit verband merkt de voorzieningenrechter op dat de vrouw tot september 2025 geen bezwaar heeft gemaakt tegen de huwelijkse voorwaarden, dat zij niet heeft weersproken dat zij niet heeft bijgedragen in de woonlasten en dat zij volgens haar eigen verklaring steeds op zoek is geweest naar vervangende woonruimte. De vordering van de man tot ontruiming is daarom toewijsbaar; de vrouw zal de woning in elk geval voor de levering aan de kopers moeten verlaten.
4.3.
Voor wat betreft de daarbij te hanteren termijn gaat de voorzieningenrechter uit van de afspraak die partijen daarover tijdens een schorsing van de mondelinge behandeling hebben gemaakt. Zij spraken af dat de vrouw de woning uiterlijk 1 februari 2026 zal verlaten. De man heeft toegezegd dat hij in het belang van de kinderen bereid is om na de levering uit de overwaarde van de woning voor de vrouw en de kinderen een appartement in [plaats 2] ( [land] ) te kopen met een waarde van € 20.000,00 tot maximaal € 30.000,00. Hierbij is het de bedoeling van de man dat het geld geïnvesteerd wordt in een appartement waar de vrouw duurzaam met de kinderen kan wonen.
4.4.
De vordering om de ontruiming zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie ten uitvoer te leggen wordt, bij gebrek aan belang, afgewezen, aangezien deze bevoegdheid al volgt uit de artikelen 555 en verder van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De vordering om de vrouw te veroordelen in de kosten van een gedwongen ontruiming wordt eveneens afgewezen, aangezien op voorhand niet te beoordelen is of deze kosten in redelijkheid worden gemaakt.
4.5.
Toewijzing van de vordering van de man brengt mee dat de vordering van de vrouw onder 1 wordt afgewezen. De vrouw heeft verder geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit zou kunnen volgen dat de man onrechtmatig handelt door het betreden van de woning, dan wel dat sprake is van enige intimidatie, bedreiging of psychologische druk jegens de vrouw en/of de kinderen. De vorderingen van de vrouw onder 2 en 3 worden daarom eveneens afgewezen.
4.6.
Gelet op de aard van het geschil en omdat partijen ex-partners zijn zal de voorzieningenrechter de proceskosten in conventie en reconventie compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
in conventie
5.1.
veroordeelt de vrouw om de woning uiterlijk 1 februari 2026 te ontruimen en met alle zich daarin bevindende eigendommen en personen te verlaten en de sleutels ter beschikking van de man te stellen;
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
5.5.
wijst de vorderingen van de vrouw af;
5.6.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2025.
WJ