ECLI:NL:RBDHA:2025:23436

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
NL25.58157 en NL25.58160
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 lid 3 VwArt. 59 lid 1 aanhef en onder a VwArt. 447E SrWet op de identificatieplichtArt. 106 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen ophouding en maatregel van vreemdelingenbewaring van Unieburger

Eiser, een Unieburger met Poolse nationaliteit, werd op 21 november 2025 opgehouden en aansluitend in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet. Hij stelde beroep in tegen zowel de ophouding als de maatregel van bewaring, waarbij het beroep tegen de bewaring tevens werd aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

Eiser voerde aan dat de strafrechtelijke aanhouding misbruikt was voor vreemdelingentoezicht en dat de maatregel van bewaring onrechtmatig was omdat hij als Unieburger alleen onder strikte voorwaarden in bewaring mocht worden gesteld. De rechtbank oordeelde dat de aanhouding een strafrechtelijke grondslag had en geen verkapt vreemdelingentoezicht betrof. Tevens was het besluit tot bewaring voldoende gemotiveerd en gebaseerd op actuele en feitelijke gronden.

De rechtbank concludeerde dat de zware gronden voor bewaring, waaronder het onrechtmatig verblijf en het risico op onttrekking aan toezicht, terecht waren vastgesteld. De lichte gronden werden niet als zelfstandige basis gebruikt. Omdat de bewaring inmiddels was opgeheven, werd het verzoek om schadevergoeding eveneens afgewezen. De beroepen werden ongegrond verklaard.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.58157 en NL25.58160

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. J.G. Wattilete),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. G. Cambier).

Procesverloop

Verweerder heeft eiser op 21 november 2025 om 11:55 uur opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw. [1]
Bij besluit van 21 november 2025 heeft verweerder aansluitend aan de ophouding eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen de ophouding en de maatregel van bewaring afzonderlijk beroep ingesteld. Het beroep tegen de maatregel van bewaring moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 3 december 2025 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat eiser is uitgezet naar Polen.
Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van de beroepen. Hij heeft op 2 december 2025 beroepsgronden ingediend. Verweerder heeft op 4 december 2025 een reactie op de beroepsgronden ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek in beide beroepen gesloten op 5 december 2025.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1988 en de Poolse nationaliteit te hebben.
2. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser in zijn beroepen tegen de ophouding en de maatregel van bewaring identieke beroepsgronden heeft ingediend. Deze beroepsgronden zien zowel op de ophouding als de maatregel van bewaring. Voor zover eiser beroepsgronden heeft ingediend die zien op de inbewaringstelling zal de rechtbank deze beroepsgronden alleen betrekken beroep tegen de maatregel van bewaring. De beroepsgronden die zien op de staandehouding en ophouding zal rechtbank alleen betrekken bij het beroep tegen de ophouding.
Het beroep tegen de ophouding (NL25.58160)
3. Eiser voert aan dat de strafrechtelijke aanhouding is gebruikt om vreemdelingentoezicht mogelijk te maken. De staandehouding en aanhouding van eiser zijn namelijk gebaseerd op een beperkte verdenking, terwijl hij direct zijn personalia heeft opgegeven. Van een staandehouding in het kader van de Vw kan voorts geen sprake zijn. Er is dan ook sprake geweest van misbruik van bevoegdheden, wat doorwerkt naar de ophouding en de daaropvolgende maatregel van bewaring.
4. Uit het proces-verbaal van aanhouding van 21 november 2025 blijkt dat twee verbalisanten een melding hebben gekregen om te gaan naar het trappenhuis van een winkel in [plaats], omdat daar een overlast gevende persoon zou liggen te slapen en ook zou het trappenhuis bezaait zijn met afval en tassen. Ter plaatse hebben de verbalisanten eiser aangetroffen, slapend onder een gordijn. Desgevraagd kon eiser zich niet legitimeren. Eiser is vervolgens door de verbalisanten aangehouden als verdachte van overtreding van artikel 447E van het Wetboek van Strafrecht en artikel 2 van Pro de Wet op de identificatieplicht.
5. De stelling van eiser dat sprake was van verkapt vreemdelingrechtelijk toezicht of misbruik van bevoegdheid wordt niet gevolgd. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het proces-verbaal van aanhouding afdoende dat sprake was van een strafrechtelijke aanleiding om eiser naar zijn identiteitsdocumenten te vragen en ook dat de verbalisanten in het kader van hun algemene politietaak hebben gehandeld. Het is niet aan de rechter in vreemdelingenzaken om te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw toegekende bevoegdheden. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Het beroep tegen de maatregel van bewaring (NL25.58157)
6. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
7. Eiser voert aan dat hij een Unieburger is en dat bewaring alleen is toegestaan wanneer sprake is van een deugdelijk gemotiveerd besluit tot beëindiging of beperking van het verblijfsrecht. Verweerder verwijst alleen naar een besluit uit 2017, maar dit besluit is door verweerder niet overgelegd en ook is niet beoordeeld of dit nog wel een actueel besluit is. Verder bevat het dossier ook geen actueel terugkeerbesluit.
8. Deze beroepsgrond slaagt niet. Verweerder heeft het besluit van 15 maart 2017 overgelegd, waarin is vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht. In dit besluit staat dat eiser Nederland binnen 28 dagen dient te verlaten. Ook bevat het dossier een uitreikingsblad waaruit blijkt dat het besluit van 15 maart 2017 op 30 augustus 2018 aan eiser is uitgereikt. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hoewel hij enige tijd in Polen heeft verbleven, daardoor sprake is van een daadwerkelijk en effectieve beëindiging van zijn verblijfsrecht in Nederland. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eisers terugkeer een voortzetting is van zijn eerdere verblijf in Nederland. Eiser heeft namelijk niet onderbouwd dat hij in Polen een bestaan heeft opgebouwd en daar enige binding heeft gehad die verder strekt dan zijn feitelijke aanwezigheid. Dat eiser een periode in de gevangenis in Polen heeft gezeten maakt dit niet anders, nu deze detentie naar zijn aard niet als bewijs kan dienen dat eiser het centrum van zijn persoonlijke of professionele belangen naar Polen heeft overgebracht. [2] Verder heeft verweerder terecht in aanmerking genomen dat eiser voorafgaand aan zijn huidige inbewaringstelling onder vergelijkbare omstandigheden is aangetroffen als ten tijde van het besluit van 15 maart 2017, zodat verweerder zich, ondanks het tijdsverloop, nog steeds op dat besluit heeft kunnen baseren.
9. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden [3] vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden [4] vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
10. Eiser betwist de zware gronden, nu deze zijn gestoeld op oude feiten. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom deze oude feiten maken dat sprake is van een actueel risico op onttrekking. Verder heeft verweerder de lichte gronden ook onvoldoende gemotiveerd. De lichte gronden mogen niet als zelfstandige reden voor inbewaringstelling worden gebruikt en bovendien volgt er geen reëel vluchtrisico uit.
11. Wat eiser aanvoert is onvoldoende om de gronden van de maatregel onvoldoende te achten. Zware grond 3a is feitelijk juist, nu eiser in 2021 Nederland is ingereisd zonder te beschikken over geldig identificerend document. Daarnaast is zware grond 3b feitelijk juist, nu eiser zijn onrechtmatige verblijf in Nederland niet heeft gemeld bij de korpschef. Zware gronden 3a en 3b zijn tezamen reeds voldoende om de maatregel van bewaring te dragen. Hieruit volgt het risico op onttrekking aan het toezicht. De overige gronden behoeven daarom geen bespreking meer.
12. Ook met inachtneming van de ambtshalve toets is niet gebleken dat de maatregel van bewaring in de te beoordelen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie
13. De beroepen zijn ongegrond. Daarom worden ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 9 december 2025 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die gaat over de maatregel van bewaring kan hoger beroep
worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Tegen de uitspraak voor zover die gaat over de ophouding staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:562.
3.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
4.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.