ECLI:NL:RBDHA:2025:23429
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens onvoldoende bewijs identiteit en familierechtelijke relatie
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep tegen de afwijzing van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ten behoeve van pleegkinderen en echtgenoot van een asielvergunninghouder. De minister had de aanvraag afgewezen omdat de identiteit van de biologische ouders en pleegkinderen niet aannemelijk was gemaakt en de familierechtelijke relaties onvoldoende waren onderbouwd.
De minister baseerde zijn besluit op het ontbreken van geldige identificerende documenten en het negatieve oordeel van Bureau Documenten over de originele documenten uit de Democratische Republiek Congo. De kopieën van Keniaanse vluchtelingendocumenten werden slechts beperkt bewijswaardig geacht vanwege het ontbreken van echtheidscontrole en de herkomst van de documenten. De rechtbank stelde dat de minister terecht geen voordeel van de twijfel gaf vanwege de contra-indicatie van het negatieve deskundigenadvies en het ontbreken van een contra-expertise.
De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van de referente onvoldoende waren om de identiteit en familierechtelijke relaties aannemelijk te maken. Ook het verzoek om nader onderzoek, zoals DNA-onderzoek, werd afgewezen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.