ECLI:NL:RBDHA:2025:23414

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 oktober 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
24/143
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bouwstop en dwangsom voor bouwwerk zonder omgevingsvergunning

Deze uitspraak betreft een geschil over een opgelegde bouwstop voor de bouw van een bouwwerk aan de [adres] in [plaats]. De bouwstop was verbonden aan een dwangsom. Eiser, die niet akkoord ging met de bouwstop, heeft beroep ingesteld. De rechtbank heeft op 23 oktober 2025 geoordeeld dat het college van burgemeester en wethouders van Leiderdorp ten onrechte een bouwstop heeft opgelegd. De rechtbank oordeelt dat de beroepsgronden van eiser gegrond zijn en dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat het bouwwerk niet vergunningvrij kon worden gebouwd. De rechtbank heeft vastgesteld dat eiser een terrasoverkapping wilde bouwen, maar dat de toezichthouder een mondelinge bouwstop heeft opgelegd omdat er geen omgevingsvergunning was verleend voor de constructieve aanbouw die werd gebouwd. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser, met inachtneming van deze uitspraak. Tevens is het college verplicht om het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/143

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiderdorp, het college

(gemachtigden: K. Kroes en F. Arnoldus).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de opgelegde bouwstop voor de bouw van een bouwwerk aan de [adres] in [plaats] . Aan de bouwstop is een dwangsom verbonden. Eiser is het niet eens met de bouwstop en voert daartoe beroepsgronden aan. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de opgelegde bouwstop.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college ten onrechte een bouwstop heeft opgelegd. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 27 juni 2023 heeft het college de bouwstop aan eiser opgelegd. Met het bestreden besluit van 4 december 2023 is het college bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 september 2025 op zitting behandeld. Ter zitting zijn verschenen: eiser en de gemachtigden van het college.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Op 21 februari 2023 heeft eiser het college bericht een terrasoverkapping te gaan bouwen in zijn achtertuin. Op 22 juni 2023 is er een controle uitgevoerd door een toezichthouder. De toezichthouder heeft geconstateerd dat er geen terrasoverkapping, maar een constructieve aanbouw werd gebouwd en dat hiervoor geen omgevingsvergunning is verleend. De toezichthouder heeft daarom een mondelinge bouwstop opgelegd. Het college heeft in het besluit van 27 juni 2023 de bouwstop schriftelijk aan eiser bevestigd.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht Omgevingswet
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op de opgelegde last onder dwangsom (bouwstop) het recht van toepassing zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.
4.1.
Met het besluit van 27 juni 2023 heeft het college een bouwstop met een dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van toepassing blijft.
Is er sprake van een overtreding?
5. Eiser betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij een omgevingsvergunning nodig heeft voor zijn bouwplan. Volgens eiser kan hij het bouwwerk vergunningvrij bouwen. Dat volgt uit de vergunningcheck die eiser heeft doorlopen en waaruit volgt dat hij geen omgevingsvergunning nodig heeft.
5.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het bouwplan niet vergunningvrij gerealiseerd kan worden. Eiser heeft de vergunningcheck niet goed ingevuld. Door de toezichthouder is namelijk geconstateerd dat aan de woning van eiser al een uitbouw van 2,5 meter is gebouwd, waaraan het bouwwerk wordt bevestigd. Hierdoor komt het bouwwerk voor een deel op een grotere afstand dan 4 meter van het hoofdgebouw te staan, waardoor niet wordt voldaan aan de vereisten voor vergunningvrij bouwen in artikel 2, derde lid, onder a, van bijlage II van het Bor.
5.2.
Vast staat dat eiser aan zijn woning al een uitbouw heeft gebouwd van 2,5 meter diep. Vast staat verder dat het bouwwerk dat eiser wil bouwen 2 meter diep is en wordt vastgemaakt aan de bestaande uitbouw. Dit betekent dat de achterkant van het bouwwerk op 4,5 m van de oorspronkelijke woning komt te staan. De rechtbank stelt verder vast dat het gaat om een bijbehorend bouwwerk, zoals bedoeld in artikel 1 van bijlage II bij het Bor.
5.3.
De rechtbank overweegt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat het bouwplan niet vergunningvrij kan worden gebouwd op grond van artikel 2, derde lid, van bijlage II bij het Bor. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat niet wordt voldaan aan de vereisten in artikel 2, derde lid, onder a, van bijlage II bij het Bor, omdat het bijbehorende bouwwerk niet volledig binnen 4 meter van de oorspronkelijke woning wordt gebouwd. Het college heeft echter niet gemotiveerd dat niet wordt voldaan aan de vereisten in artikel 2, derde lid, onder b, van bijlage II bij het Bor. In artikel 7, eerste lid, van bijlage II bij het Bor is immers bepaald dat als een bijbehorend bouwwerk bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan vier meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen, het gehele bouwwerk moet worden gezien als een bouwwerk waarop de bepaling artikel 2, derde lid, aanhef en onder b, van bijlage II bij het Bor van toepassing is. Voor zover het college zich ter zitting op het standpunt heeft gesteld dat dit artikel alleen van toepassing is op bouwwerken die los van het hoofdgebouw worden gebouwd, geldt dat dit niet uit dit artikel volgt. Dit betekent dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat het bouwwerk niet vergunningvrij kon worden gebouwd en dat eiser in overtreding van de Wabo niet beschikte over een omgevingsvergunning. Het college heeft daarom ook onvoldoende gemotiveerd dat een bouwstop aan eiser kon worden opgelegd. Het betoog slaagt.
Bezwaarprocedure en de hoorzitting
6. Eiser voert aan dat het college zijn bezwaar te laat heeft beoordeeld. Bovendien is de uitnodiging voor de hoorzitting van de adviescommissie zo laat verzonden, namelijk 2 dagen voor de hoorzitting, dat van een redelijk te voeren verweer geen sprake heeft kunnen zijn. Eiser voelde zich onder druk gezet en heeft hierdoor afgezien van zijn recht om gehoord te worden. Eiser vindt de gang van zaken bij de bezwaarcommissie betreurenswaardig en geen recht doen aan zijn belangen.
6.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de uitnodiging voor de hoorzitting op tijd is overhandigd en op tijd een beslissing op bezwaar is genomen.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat uit de e-mail van 26 oktober 2023 van het college blijkt dat de uitnodiging voor de hoorzitting op 25 oktober 2023 is overhandigd aan de partner van eiser. Dit is naar aanleiding van het gesprek met eiser waarin hij heeft aangegeven via de post de uitnodiging niet te hebben ontvangen. De rechtbank merkt op dat de hoorzitting op 3 november 2023, ruim een week na ontvangst van de brief, stond gepland. De rechtbank kan daarom de stelling dat de brief 2 dagen voor de hoorzitting is verzonden niet volgen. Eiser heeft bovendien ter zitting gezegd dat hij sowieso niet van plan was om deel te nemen aan de hoorzitting. De rechtbank ziet onder deze omstandigheden geen aanleiding voor het oordeel dat eiser geen mogelijkheid heeft gehad om bij de hoorzitting aanwezig te zijn. Het betoog slaagt niet.
6.3.
Wat betreft het betoog dat het college te laat heeft beslist op het bezwaar, oordeelt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beslist het bestuursorgaan binnen zes weken of – indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld – binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. Uit het derde lid volgt dat het bestuursorgaan de beslissing voor ten hoogste zes weken kan verdagen. Het primaire besluit is genomen op 27 juni 2023. De termijn tot het doen van bezwaar eindigde op 8 augustus 2023. Nu een bezwaarschriftencommissie is ingesteld, had het college twaalf weken om te beslissen op het bezwaar van eiser. Die termijn eindigde op 31 oktober 2023. De beslissingstermijn is op 20 oktober 2023 met zes weken verlengd en eindigde daardoor op 12 december 2023. Nu het college op 4 december 2023 een beslissing op het bezwaar heeft genomen, is het college niet te laat geweest. Dit betoog slaagt dus niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd en daarom in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en bepalen dat het college een nieuw besluit neemt op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak.
8. Omdat het beroep gegrond is, dient het college het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser, met inachtneming van deze uitspraak;
  • draagt het college op het betaalde griffierecht van € 187,- te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Ince, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.