ECLI:NL:RBDHA:2025:2339
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000
De minister van Asiel en Migratie legde aan eiser op 21 januari 2025 een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 4 februari 2025.
Eiser voerde aan dat hij onterecht op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000 was opgehouden, omdat artikel 50, derde lid, van toepassing zou moeten zijn gezien zijn registratie bij de Nederlandse autoriteiten en directe overname na strafrechtelijke heenzending. De rechtbank oordeelde echter dat eiser geen identificerende documenten bij zich had en zijn gegevens niet in de registers voorkwamen, waardoor zijn identiteit en nationaliteit niet konden worden vastgesteld. De ophouding op de gekozen grondslag was derhalve juist.
Voorts betoogde eiser dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan, mede omdat zijn relatie met zijn vriendin was hersteld en hij een verblijfsvergunning regulier wilde aanvragen. De rechtbank vond dat de minister voldoende had gemotiveerd dat het onttrekkingsrisico aanwezig bleef en dat de omstandigheden geen aanleiding gaven voor een lichter middel. Ook het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.