ECLI:NL:RBDHA:2025:23383

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
SGR 23/1141
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Omgevingsvergunning voor renovatie van een school en de gevolgen voor omwonenden

Deze uitspraak betreft het beroep van eisers tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk om een omgevingsvergunning te verlenen voor de renovatie van een school aan de [adres] in [plaats]. De renovatie behelst de transformatie van een leegstaand schoolgebouw naar een Regionaal Maatschappelijk Centrum met onderwijs- en kinderopvangfaciliteiten. Eisers, bewoners in de nabijheid van de school, vrezen overlast door toegenomen verkeersdrukte en stellen dat de vergunning niet zorgvuldig is voorbereid. De rechtbank heeft op 4 november 2025 geoordeeld dat de beroepsgronden van eisers niet slagen en het beroep ongegrond is verklaard. De rechtbank heeft de procesgang en de argumenten van eisers beoordeeld, waaronder de toetsing aan de beheersverordening en de gevolgen voor luchtkwaliteit, geluid en milieu. De rechtbank concludeert dat de omgevingsvergunning in overeenstemming is met de geldende regelgeving en dat de zorgen van eisers niet voldoende zijn onderbouwd. De rechtbank heeft ook de goede procesorde in acht genomen en geoordeeld dat de indiening van aanvullende stukken door eisers te laat was, wat in strijd was met de goede procesorde. De rechtbank heeft de uitspraak openbaar gemaakt en de beslissing is aan partijen verzonden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/1141

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 november 2025 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats] , eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk, het college

(gemachtigde: mr. I. Ruitenbeek).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eisers tegen het besluit van het college om een omgevingsvergunning te verlenen voor het renoveren van de [naam school] aan de [adres] in [plaats] . Het renoveren ziet op het opwaarderen en omvormen van een leegstaand schoolgebouw naar een Regionaal Maatschappelijk Centrum met onderwijs- en kinderopvangfaciliteiten. Eisers wonen in de buurt van de school en zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij vrezen voor overlast bij hun woning door de school, onder meer omdat de straat waarin zij wonen intensief zal worden gebruikt door het fietsverkeer van en naar de school. Ook vinden zij dat de omgevingsvergunning niet voldoende zorgvuldig is voorbereid en dat de renovatie niet is uitgevoerd in overeenstemming met de vergunning. Zij voeren een aantal beroepsgronden tegen de verleende omgevingsvergunning aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgronden van eisers niet slagen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het college heeft op 5 juli 2022 (het primaire besluit) een omgevingsvergunning verleend voor het renoveren van de [naam school] aan de [adres] in [plaats] . Met het bestreden besluit van 27 december 2022 op het bezwaar van eisers is het college bij het primaire besluit gebleven, onder aanvulling van de motivering.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft een verweerschrift ingediend. Eisers hebben nadere stukken overgelegd.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2025 op zitting behandeld. Het beroep is tegelijk behandeld met de beroepen met zaaknummers 23/7197 en 23/7725. Eisers zijn verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] .

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
3.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 20 april 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo van toepassing blijft.
De omgevingsvergunning
4. Ter plaatse geldt de beheersverordening “Bomenbuurt, Rembrandtkwartier en Havenkwartier” (de beheersverordening). De gronden waarop het bouwplan is voorzien hebben de bestemming “Maatschappelijk” met de aanduiding ‘onderwijs’.
4.1.
Het college heeft de omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘bouwen van een bouwwerk’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo en ‘handelen in strijd met het bestemmingsplan’, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Volgens het college voldoet het renoveren van de school aan de regels van de beheersverordening, behalve de plaatsing van (luchtverversings)installaties. Door de plaatsing hiervan verandert de school van afmetingen en dit is op grond van artikel 3.1, onder b, van de regels bij de beheersverordening niet toegestaan. Het college heeft artikel 4, eerste lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) toegepast om op dit punt van het bestemmingsplan af te wijken. Het gebruik van de school ten behoeve van onderwijs- en kinderopvangactiviteiten is volgens het college toegestaan op grond van de beheersverordening zodat hiervoor geen omgevingsvergunning nodig is.
Goede procesorde
5. Ingevolge artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen.
5.1.
Zoals volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling [1] , kunnen ook na afloop van de beroepstermijn nadere argumenten worden aangevoerd en stukken worden ingediend ter motivering van een eerdere beroepsgrond, tenzij dat in strijd is met een goede procesorde. Bij het indienen van nadere stukken is de termijn van artikel 8:58 van de Awb van tien dagen voor de zitting van belang, maar deze termijn is niet bepalend voor de vraag of het overleggen van nadere stukken in strijd is met de goede procesorde. Voor het antwoord op die vraag is namelijk doorslaggevend of een zinvolle bespreking van de stukken op de zitting kan plaatsvinden. Strijd met de goede procesorde doet zich voor als nadere stukken zo laat worden ingediend en/of zodanig complex of omvangrijk zijn, dat de andere partijen worden belemmerd om daarop adequaat te reageren, de rechtbank wordt belemmerd in haar voorbereiding van de zitting of de goede voortgang van de procedure daardoor op een andere wijze wordt belemmerd.
5.2.
Eisers hebben op 9 september 2025, veertien dagen voor de zitting, een aanvullende schriftelijke uiteenzetting ingediend. De rechtbank overweegt dat deze aanvullende uiteenzetting zodanig omvangrijk is dat de andere partijen daar niet adequaat op hebben konden reageren. Bovendien overweegt de rechtbank dat eisers deze uiteenzetting eerder hadden kunnen indienen. De rechtbank betrekt daarbij dat de zitting eerder op verzoek van eisers is uitgesteld. De rechtbank acht het indienen van de aanvullende schriftelijke uiteenzetting daarom in strijd met de goede procesorde en zal deze beschouwing laten.
Heeft het college ten onrechte aan de beheersverordening getoetst?
6. Eisers betogen dat het college de aanvraag om een omgevingsvergunning ten onrechte heeft getoetst aan de beheersverordening “Bomenbuurt, Rembrandtkwartier en Havenkwartier”. Volgens eisers is deze beheersverordening verouderd is en had er een nieuw bestemmingsplan moeten worden opgesteld. Verder gaat het volgens eisers om een aanvraag van een majeure en grootschalige ruimtelijke ontwikkeling en is de beheersverordening hiervoor niet geschikt als toetsingskader. Ten slotte voldoet de beheersverordening niet aan de huidige wet- en regelgeving.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat de beheersverordening in 2013 is vastgesteld en in werking is getreden. Sindsdien is geen nieuw bestemmingsplan voor het gebied vastgesteld. Dit betekent dat de beheersverordening nog steeds geldt en het ruimtelijk-juridische kader vormt voor de omgeving. Het college is daarom verplicht om de aanvraag te toetsen aan de beheersverordening. Dat de beheersverordening volgens eisers oud en ongeschikt is, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank ziet in hetgeen eisers hebben aangevoerd ook geen reden om te oordelen dat de beheersverordening niet voldoet aan wet- en regelgeving. De rechtbank volgt eisers daarom ook niet in hun betoog dat moet worden gekeken naar de bestemmingsplannen die golden voor de inwerkingtreding van de beheersverordening. Het betoog slaagt niet.
Past het bouwplan binnen de beheersverordening?
7. Eisers betogen dat het college zich ten onrechte op het standpunt stelt dat het bouwplan past binnen de beheersverordening. Eisers voeren hiertoe aan dat in het schoolgebouw ook peuterspeelzaalactiviteiten en kinderopvang zijn voorzien, terwijl dat niet is toegestaan op grond van de beheersverordening. Verder voeren eisers aan dat het aantal kinderen dat naar de school gaat zal toenemen en dat er interne aanpassingen aan het gebouw zullen worden gedaan.
7.1.
Artikel 3.1 van de beheersverordening luidt als volgt:
Voor de binnen het besluitvlak 'Beheersverordeningsgebied' gelegen gronden geldt dat:
a.
de gronden en de daarop gelegen bouwwerken overeenkomstig het bestaande gebruik mogen worden gebruikt, zoals weergeven op de als bijlage 3 bij de regels gevoegde functiekaart;
b.
op deze gronden gelegen bestaande bouwwerken mogen worden vervangen door bouwwerken van dezelfde afmetingen en op dezelfde locatie.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat het perceel waarop de school is gelegen op de als bijlage 3 bij de planregels gevoegde functiekaart de functie “Maatschappelijk” heeft. Dit betekent dat de school op grond van artikel 3.1, onder a, van de planregels mag worden gebruikt voor maatschappelijke voorzieningen. Het college stelt zich terecht op het standpunt dat op grond van de definitie in artikel 1.34 van de planregels onder maatschappelijke voorzieningen ook een peuterspeelzaal en kinderopvang vallen. Dit betekent dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat dit gebruik in overeenstemming is met de beheersverordening. Dat ten tijde de inwerkingtreding van de beheersverordening volgens eisers geen peuterspeelzaal of kinderopvang in de school aanwezig was, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank overweegt dat de beheersverordening niet het bestaande feitelijk gebruik, maar het bestaande planologisch toegelaten gebruik heeft vastgelegd. Voor zover eisers betogen dat het aantal leerlingen toeneemt, overweegt de rechtbank dat dat geen strijd oplevert met de beheersverordening, omdat er geen beperking in het aantal leerlingen geldt op grond van de beheersverordening. De beheersverordening staat er ook niet aan in de weg dat in het schoolgebouw interne aanpassingen worden gedaan, zoals eisers stellen. Het betoog slaagt niet.
Is sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject?
8. Eisers betogen dat sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Volgens eisers hangt de renovatie van de school samen met grootschalige nieuwbouw op aangrenzende locaties, met name in het Havenkwartier en Plaspoelpolder. Volgens eisers heeft het college daarom ten onrechte geen mer-beoordeling uitgevoerd.
8.1.
De rechtbank overweegt dat geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Het gaat in deze zaak slechts om het renoveren van een bestaand schoolgebouw. Anders dan eisers betogen, is geen sprake van een zodanige samenhang tussen het renoveren van het schoolgebouw en de nieuwbouwprojecten in de omgeving dat de ontwikkelingen voor de toepassing van de m.e.r.-regelgeving één activiteit vormen. Niet is gebleken van een financiële, organisatorische of bouwkundige samenhang tussen de verschillende ontwikkelingen. Dat volgens eisers een verkeersroute wordt aangelegd tussen de nieuwbouw ontwikkelingen en de school maakt niet dat er sprake is van dergelijke samenhang. Evenmin is gebleken dat de renovatie van de school afhankelijk is van de realisatie van de genoemde nieuwbouwprojecten. [2] Het betoog slaagt niet.
Parkeren en verkeersveiligheid
9. Eisers betogen dat het gebruik van de school leidt tot ernstige verkeersonveiligheid in hun straat en tot parkeeroverlast in de omgeving. Zij voeren hiertoe aan dat veel overlast wordt ervaren doordat schoolgaande kinderen en hun ouders door hun straat fietsen en dat sprake is van ernstige parkeeroverlast. Volgens eisers heeft het college hier onvoldoende rekening mee gehouden.
9.1.
De rechtbank overweegt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het gebruik van het schoolgebouw ten behoeve van een school, een peuterspeelzaal en kinderopvang in overeenstemming is met de beheersverordening. Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat voor dit gebruik geen omgevingsvergunning is vereist. Dit betekent dat het college zich ook terecht op het standpunt heeft gesteld dat de ruimtelijke effecten van het gebruik van de school, de peuterspeelzaal en de kinderopvang, waaronder de verkeersaantrekkende werking en de parkeerbehoefte, niet kunnen worden meegewogen bij het verlenen van de omgevingsvergunning. De Wabo biedt niet de mogelijkheid om de ruimtelijke effecten nogmaals te beoordelen als de activiteit past binnen de beheersverordening. Het betoog slaagt niet.
Luchtkwaliteit, geluid en milieu
10. Eisers betogen dat het college de gevolgen voor lucht, geluid en milieu niet heeft onderzocht.
10.1.
Ter zitting hebben eisers toegelicht dat deze beroepsgronden ook gaan over gevolgen voor lucht, geluid en milieu vanwege het gebruik van de school. In navolging van hetgeen is overwogen in 9.1 geldt dat het college ook deze ruimtelijke effecten niet heeft kunnen meewegen bij het verlenen van de omgevingsvergunning. Het betoog slaagt niet.
Natura 2000
11. Eisers betogen dat het college ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar stikstofeffecten van het bouwplan.
11.1.
Artikel 8:69a van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet mag vernietigen op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Blijkens de parlementaire geschiedenis heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de eisende partij door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. [3] De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de eisende partij.
11.2.
De rechtbank overweegt dat de regels over stikstofdepositie streken ter bescherming van Natura 2000-gebieden.Vast staat dat in de directe woon- en leefomgeving van eisers geen Natura 2000-gebieden zijn gelegen. Dit betekent dat deze regels daarom niet (mede) strekken tot bescherming van de belangen van eisers. Deze beroepsgrond kan daarom gelet op artikel 8:69a van de Awb niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Deze grond hoeft daarom geen inhoudelijke bespreking.
Beschermde diersoorten
12. Eisers betogen dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen van de renovatie van de school op beschermde diersoorten. Volgens eisers zijn in de omgeving van de school beschermde vleermuis- en vogelsoorten aanwezig en kunnen die door de renovatie worden verstoord of gedood.
12.1.
De rechtbank stelt vast dat het college een quickscan heeft laten uitvoeren naar de aanwezigheid van beschermde diersoorten in de omgeving van de school. De uitkomsten hiervan zijn opgeschreven in het rapport ‘Quickscan Flora en Fauna [naam school] [plaats] ’, opgesteld door BRO. In dit rapport wordt geconcludeerd dat om overtredingen ten aanzien van beschermde vogelsoorten te voorkomen het plangebied buiten het broedseizoen bouwrijp moet worden gemaakt of dat voorafgaand aan de werkzaamheden moet worden gecontroleerd. Verder wordt in het rapport geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van overtredingen ten aanzien van beschermde vleermuissoorten, maar dat bij dakrenovatie of isolatie van de luchtspouw wel nader onderzoek nodig is. Ter zitting heeft het college toegelicht dat de aanbevelingen uit het rapport zijn opgevolgd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat sprake zal zijn van overtredingen ten aanzien van beschermde diersoorten. Het betoog slaagt niet.
Luchtbehandelingsinstallaties
13. Eisers betogen dat de (luchtverversings)installaties groter zijn uitgevoerd dan vergund en dat er warmtepompen zijn toegevoegd die niet zijn vergund.
13.1.
De rechtbank kan uit het primaire en bestreden besluit niet afleiden dat hiermee warmtepompen op het dak van het schoolgebouw zijn vergund. In deze besluiten staat alleen dat wordt afgeweken van de beheersverordening voor de plaatsing van (luchtverversings)installaties. De warmtepompen die zijn geplaatst op het dak van de school zijn daarom naar het oordeel van de rechtbank niet vergund. Ditzelfde geldt voor de (luchtverversings)installaties die groter zijn uitgevoerd dan in de omgevingsvergunning staat. Dit betekent echter niet dat de omgevingsvergunning niet correct is, maar dat er gebouwd is in afwijking van de omgevingsvergunning. Dit betreft een handhavingskwestie. Vast staat dat eisers al om handhaving hebben verzocht en dat een nieuwe omgevingsvergunning is verleend voor de grotere (luchtverversings)installaties en de warmtepompen. Voor zover eisers het niet eens zijn met de plaatsing hiervan, moeten zij zich richten tegen die omgevingsvergunning. Ook de beroepsgrond dat de grotere (luchtverversings)installaties in strijd zijn met de redelijke eisen van welstand moet in een procedure tegen de nieuwe omgevingsvergunning worden aangevoerd. Het betoog slaagt niet.
Informatieverstrekking
14. Eisers betogen dat het college weigert gevraagde informatie aan hen te verstrekken en bovendien onvolledige informatie verstrekt. Volgens eisers gaat het hierbij onder meer om oude bestemmingsplannen, leerlingprognoses, welstandsadviezen en een intern ambtelijk advies van een verkeerskundige.
14.1.
De rechtbank overweegt dat de oude bestemmingsplannen en de leerlingprognoses niet aan de besluitvorming ten grondslag liggen, zodat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college deze ten onrechte niet aan eisers heeft verstrekt. Verder heeft het college ter zitting toegelicht dat er geen intern advies van de verkeerskundige bestaat, maar dat dit enkel een checklist betreft. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het college heeft geweigerd om een intern advies van de verkeerskundige te verstrekken. De rechtbank overweegt bovendien dat in 9.1 al is overwogen dat de verkeersaantrekkende werking en de parkeerbehoefte die gepaard gaan met het gebruik van de school door het college niet konden worden meegewogen in de besluitvorming. Het welstandsadvies is ten slotte integraal opgenomen in het bestreden besluit en in het verweerschrift verder toegelicht. Het betoog slaagt niet.
Overig
15. De rechtbank ziet in hetgeen eisers verder hebben aangevoerd ook geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:844.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 16 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3312.