ECLI:NL:RBDHA:2025:23379

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 november 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
NL25.5781
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag van Nigeriaanse eiser met homoseksuele gerichtheid en de beoordeling van het referentiekader door de minister

Deze uitspraak betreft de afwijzing van de asielaanvraag van een Nigeriaanse eiser, die zijn aanvraag indiende op 12 oktober 2022. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag op 9 januari 2025 afgewezen als ongegrond. Eiser is van mening dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder zijn seksuele gerichtheid en de gevolgen daarvan in Nigeria, waar homoseksualiteit strafbaar is. De rechtbank heeft op 12 september 2025 de zaak behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren, evenals de gemachtigde van de minister. De rechtbank oordeelt dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven, omdat de minister niet voldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. De rechtbank benadrukt dat de minister in asielzaken een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling moet verrichten, waarbij persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling in acht moeten worden genomen. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op om binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met de uitspraak. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten van € 1.814,-.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.5781
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. P.E.J.M. Bartels),
en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. S.H. Maas).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Het beroep van eiser is gegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiser heeft op 12 oktober 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 9 januari 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
5. De rechtbank heeft het beroep op 12 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, en de gemachtigde van de minister. Als tolk is verschenen: J.A. Okpoko.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
6. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1992 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Eiser heeft Nigeria verlaten vanwege zijn homoseksuele gerichtheid. Eiser heeft op zijn negentiende een relatie gekregen met een vriend van hem. Eiser is toen door zijn zus betrapt in zijn kamer, terwijl hij samen met zijn vriend was. Een menigte is hierop af gekomen en hielden zowel eiser als zijn vriend vast. Eiser is met behulp van een vriend, die hem geld leende, het land ontvlucht. Als tegenprestatie moest eiser sekswerk verrichten in Europa. In 2018 is eiser gestopt met verdere aflossing van zijn schuld. Dit heeft geleid tot conflict, waarna eiser is geslagen en mishandeld. Bij terugkeer naar Nigeria vreest eiser voor problemen met de Nigeriaanse overheid vanwege zijn homoseksualiteit. Homoseksualiteit is namelijk verboden in Nigeria en wordt niet geaccepteerd door de gemeenschap. Ook vreest eiser bij terugkeer voor de vriend van wie hij geld heeft geleend.
Het bestreden besluit
7. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
(1) identiteit, nationaliteit en herkomst;
(2) seksuele gerichtheid;
(3) problemen als gevolg van seksuele gerichtheid; en
(4) mensenhandel en de daaruit voortvloeiende problemen.
8. De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De minister vindt de seksuele gerichtheid van eiser en de problemen als gevolg van zijn seksuele gerichtheid ongeloofwaardig. De minister heeft in de besluitvorming uiteengezet dat hij het horen en beslissen aan de hand van Werkinstructie 2019/17 (WI 2091/17) heeft verricht. De minister werpt eiser tegen dat hij summier en wisselend heeft verklaard. Daarnaast is de kennis van eiser over de LHBTI-situatie in Nigeria summier en heeft hij oppervlakkig verklaard over de LHBTI-situatie in Nederland. De minister vindt ook de mensenhandel en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig. Eiser heeft geen documenten overgelegd ter ondersteuning van zijn verklaringen. Daarnaast zijn de verklaringen van eiser ongerijmd en inconsistent.
9. Gelet op het voorgaande komt eiser volgens de minister niet in aanmerking voor een asielvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De asielaanvraag van eiser is afgewezen als ongegrond. De minister heeft een terugkeerbesluit, gericht op vertrek naar Nigeria, met een vertrektermijn van vier weken opgelegd aan eiser.
Geloofwaardigheidsbeoordeling
Referentiekader
10. Eiser heeft beroepsgronden ingediend tegen de beoordeling van zijn asielrelaas door de minister. Eiser is het niet eens met de verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling. De rechtbank stelt vast dat het geschil tussen partijen met name ziet op de vraag of de minister in zijn besluitvorming voldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. De rechtbank zal dit geschilpunt hieronder bespreken.

Standpunt van eiser

11. Eiser voert aan dat de minister bij de beoordeling van zijn verklaringen onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Eiser is afkomstig uit een land waar homoseksualiteit niet geaccepteerd wordt en strafbaar is. Bovendien komt eiser uit een gelovig gezin, waar niet over gevoelens werd gepraat. Daarnaast is eiser gediagnosticeerd met PTSS en zwakbegaafdheid. Ter onderbouwing heeft eiser in beroep een brief van Kleur GGZ van 17 juli 2025 overgelegd, en een brief van zijn casemanager van
Here to Support: Queer to supportvan 29 augustus 2025. Eiser stelt zich, onder verwijzing naar deze brieven, op het standpunt dat het voor hem onmogelijk is om te voldoen aan de verwachting van de minister dat hij een authentiek en persoonlijk verhaal kan neerzetten.
12. Uit de brief van Kleur GGZ blijkt dat eiser door een psychiater is gediagnosticeerd met PTSS en zwakbegaafdheid. Op basis van een intelligentieonderzoek lijkt sprake te zijn van een licht verstandelijke beperking bij eiser, met een gemeten IQ van 73. Verder blijkt uit het onderzoek – in het kort samengevat en voor zover van belang – dat eiser moeite heeft met abstracte begrippen, lange zinnen, en het onder woorden brengen van complexe gevoelens en gedachten. Ook is zijn taalbegrip en woordenschat beperkt, waardoor er sneller misverstanden ontstaan. Eiser heeft baat bij korte, duidelijke vragen en herhaling in de communicatie. In de brief van
Here to Support: Queer to supportwordt door de casemanager van eiser toegelicht dat de diagnose verklaart waarom eiser tijdens de gehoren gebrekkig heeft gecommuniceerd en summiere antwoorden heeft gegeven. De verwachting dat eiser diepgaand zou kunnen verklaren over zijn seksuele gerichtheid en ervaringen, en dat hij hierover diepgaande gedachten zou hebben ontwikkeld, wordt door de casemanager als onrealistisch beschouwd.

Standpunt van de minister

13. De minister stelt zich op het standpunt dat uit de brief van Kleur GGZ niet zonder meer volgt dat eiser zwakbegaafd is en een IQ van 73 heeft. In dit verband merkt de minister op dat niet is gebleken dat de psychiater gespecialiseerd is in het vaststellen van zwakbegaafdheid en bevoegd is om een IQ-onderzoek te doen. Daarnaast is de IQ-score van 73 volgens de minister niet onderbouwd met een IQ-onderzoek. Bovendien is Kleur GGZ bij het vaststellen van de diagnose uitgegaan van een onjuist feitencomplex, door uit te gaan van de omstandigheid dat eiser alleen basisonderwijs heeft gevolgd. Uit het nader gehoor blijkt immers dat eiser de middelbare school heeft voltooid (verslag nader gehoor, pagina 8). Verder strookt de conclusie van de psychiater niet met de verklaringen die eiser heeft afgelegd in het Dublingehoor en het nader gehoor. De minister ziet in de gehoren geen aanwijzingen dat eiser zwakbegaafd is, de vragen van gehoorambtenaar niet heeft begrepen, of dat sprake was van miscommunicatie met de tolken.
14. Ten aanzien van de PTSS, stelt de minister voorop dat eiser tot twee keer toe niet is verschenen voor het medische onderzoek bij Medifirst, wat voor zijn eigen rekening en risico komt. Daarnaast merkt de minister op dat het gaat om een voorlopige diagnose en dat het nader gehoor dateert van 2023, terwijl de verklaring van Kleur GGZ gebaseerd is op een intakegesprek van 1 mei 2025. Daarbij komt dat eiser een blanco psychiatrische voorgeschiedenis heeft. Bovendien heeft eiser tijdens het nader gehoor geen melding gemaakt van psychische problemen. Vervolgens stelt de minister zich op het standpunt dat Kleur GGZ niet inzichtelijk heeft gemaakt in hoeverre de geconstateerde klachten hebben geleid tot een interferentie met het vermogen van eiser om compleet, coherent en consistent te verklaren.
15. Gelet op het voorgaande handhaaft de minister zijn standpunt in het bestreden besluit dat van eiser mocht worden verwacht dat zijn verklaringen meer inzicht zouden geven in zijn gedachten en gevoelens over zijn seksuele gerichtheid. Dit omdat hij twee dagen uitgebreid is gehoord, de vragen tijdens het gehoor op verschillende manieren zijn gesteld en duidelijk is uitgelegd wat van hem werd verwacht. Daarnaast is eiser al geruime tijd bewust van zijn seksuele gerichtheid en heeft hij relaties gehad in zowel Nigeria, waar homoseksualiteit verboden is, als Europa. De minister blijft daarom ook bij zijn standpunt dat de seksuele gerichtheid van eiser en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig zijn.
Oordeel van de rechtbank
16. De rechtbank overweegt dat de minister in alle individuele asielzaken een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling moet verrichten, waarbij hij rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden, achtergrond en leeftijd van de vreemdeling. Dat blijkt ook uit Werkinstructie 2019/17 van de minister over het horen en beslissen in zaken waarin LHBTI- gerichtheid als asielmotief is aangevoerd. Daarin staat dat de minister rekening moet houden met het referentiekader tijdens het gehoor en de geloofwaardigheidsbeoordeling van de seksualiteit als asielmotief. De aard van het asielmotief van eiser brengt bovendien mee dat zijn eigen verklaringen niet alleen het belangrijkste bewijsmiddel zijn, maar wellicht ook de enige manier is om zijn beschermingsbehoefte aannemelijk te maken. Juist daarom is het van belang dat de minister zorgvuldig onderzoekt wat het referentiekader is en wat hij mag verwachten van eiser als het gaat om het kunnen verklaren over zijn asielmotieven. De minister moet zich dus rekenschap geven van persoonlijke omstandigheden van eiser die van invloed kunnen zijn op zijn vermogen om zijn asielrelaas adequaat naar voren te brengen.
17. Naar oordeel van de rechtbank bestaat onduidelijkheid over het referentiekader van eiser. De minister heeft in het bestreden besluit weliswaar toegelicht waarom van eiser meer gedetailleerde verklaringen mochten worden verwacht, maar de rechtbank vindt deze toelichting van de minister ontoereikend. De rechtbank vindt namelijk dat de brief van Kleur GGZ – in samenhang met de brief van de casemanager van eiser van
Here to Support: Queer to Support– voldoende aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat bij eiser sprake is van beperkingen die van invloed kunnen zijn op het vermogen van eiser om zijn asielrelaas adequaat naar voren te brengen. De minister werpt eiser tegen dat hij summier, oppervlakkig en wisselend heeft verklaard over zijn seksuele gerichtheid, terwijl dit gebrek mogelijk samenhangt met de omstandigheid dat eiser onder meer is gediagnosticeerd met zwakbegaafdheid. Uit de brief van Kleur GGZ blijkt immers dat eiser onder meer moeite heeft met abstracte begrippen, lange zinnen, en het onder woorden brengen van complexe gevoelens en gedachten. Daarbij komt dat de casemanager van eiser in haar brief een uitgebreide beschrijving heeft gegeven van zijn gedrag en verklaringsgedrag. In de twee jaar dat zij eiser begeleidt, is haar opgevallen dat eiser grote moeite heeft met spreken, en extreem verlegen en onzeker is. Volgens de casemanager verlopen de gesprekken met eiser moeizaam. Zo begrijpt eiser de vragen vaak niet, en wanneer hij deze wel begrijpt, antwoordt hij meestal niet in volzinnen maar met korte zinnen of losse woorden. Verder volgt uit de brief van de casemanager van eiser dat zij samen een overzicht hebben opgesteld, waardoor een duidelijker beeld ontstaat van de situatie van eiser. Hierbij heeft de casemanager gebruikgemaakt van speciale gesprekstechnieken. Hieruit blijkt dat eiser in staat is meer te verklaren wanneer hij op een aangepaste manier wordt benaderd/bevraagd. De rechtbank overweegt bovendien dat eiser consistent heeft aangevoerd dat hij het moeilijk vindt om uitgebreide verklaringen af te leggen en over zijn gevoelens te praten.
18. Het standpunt van de minister dat meer van eiser mocht worden verwacht, omdat hij twee dagen uitgebreid is gehoord, de vragen tijdens het gehoor op verschillende manieren zijn gesteld en duidelijk is uitgelegd wat van hem werd verwacht, volgt de rechtbank niet. Dat het gehoor met voldoende waarborgen was omkleed, betekent niet zonder meer dat meer van eiser kan of mag worden verwacht. Daarmee is immers nog niet duidelijk in hoeverre persoonlijke omstandigheden van invloed kunnen zijn op het vermogen van eiser om zijn relaas adequaat naar voren te brengen. Dit geldt ook voor het feit dat eiser al langere tijd bekend is met zijn seksuele gerichtheid en in het verleden relaties heeft gehad. Het standpunt van de minister dat niet is gebleken dat de psychiater van Kleur GGZ gespecialiseerd is in het vaststellen van zwakbegaafdheid, en dat de IQ-score niet is onderbouwd met een IQ-onderzoek, leidt niet tot een ander oordeel. In de aanvullende verklaring van de psychiater verklaart hij dat de test is afgenomen door een BIG geregistreerd GZ Psycholoog met BAPD aantekening en dat deze op grond daarvan bevoegd en bekwaam is. Verder is toegelicht dat de Raven-test is gebruikt omdat die in eisers geval het meest geschikt is om zijn cognitief potentieel in kaart te brengen. Dat bij het vaststellen van de diagnose is uitgegaan van een onjuist feitencomplex, namelijk dat eiser alleen de basisschool heeft afgerond, leidt evenmin tot een ander oordeel. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat hij dit vraagstuk aan de betreffende psychiater heeft voorgelegd. De psychiater heeft verklaard dat ook bij inachtneming van de omstandigheid dat eiser op de middelbare school heeft gezeten, tot dezelfde conclusie zou zijn gekomen. Eiser heeft bovendien toegelicht dat hij de middelbare school niet heeft afgerond, omdat hij geen snelle leerling was en de opleiding niet binnen de reguliere termijn kon afronden.
Conclusie geloofwaardigheidsbeoordeling
19. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank de minister niet in het standpunt dat van eiser meer verwacht kan en mag worden, omdat onduidelijk is welk referentiekader daarbij als uitgangspunt moet worden genomen. Het bestreden besluit is om die reden onzorgvuldig voorbereid. Dit betekent dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De minister moet daarom opnieuw op eisers aanvraag beslissen. De minister dient daarbij in ieder geval de door eiser in beroep overgelegde stukken, waaronder de voormelde brieven en de eigen verklaringen van eiser, kenbaar te betrekken bij de geloofwaardigheids- beoordeling.
20. De overige beroepsgronden die zien op de geloofwaardigheidsbeoordeling behoeven geen bespreking, omdat het referentiekader van eiser bij bespreking van die beroepsgronden ook relevant is.

Conclusie en gevolgen

21. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen.
22. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.
23. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- (1 punt voor het indienen van een beroepsschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 9 januari 2025;
  • draagt de minister op binnen 8 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Attema, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
14 november 2025

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.