ECLI:NL:RBDHA:2025:23377

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
SGR 22/6480
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke procedure over handhaving van luchtbehandelingskasten en omgevingsvergunning

Op 19 mei 2018 hebben eisers, bewoners van [woonplaats], het college van burgemeester en wethouders van Den Haag verzocht om handhavend op te treden tegen de illegale bouw van luchtbehandelingskasten op de daken van gebouwen op de percelen [perceel 1] en [perceel 2]. Het college heeft op 30 augustus 2022 het handhavingsverzoek afgewezen, waarna eisers beroep hebben ingesteld. Op 2 maart 2025 hebben eisers opnieuw om handhaving gevraagd, maar het college heeft op 23 oktober 2025 het eerdere besluit ingetrokken en opnieuw afgewezen. De rechtbank heeft op 5 december 2025 de zaak behandeld en direct uitspraak gedaan.

De rechtbank oordeelt dat het besluit van 30 augustus 2022 een primair besluit is en dat eisers geen procesbelang meer hebben bij hun beroep tegen dit besluit, omdat het is ingetrokken. Het beroep tegen het besluit van 23 oktober 2025 is inhoudelijk beoordeeld. De rechtbank concludeert dat het besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid met betrekking tot de luchtbehandelingskast LBK 6, omdat het college deze niet heeft opgemeten. De rechtbank vernietigt het besluit van 23 oktober 2025 voor zover het betreft LBK 6 en draagt het college op om een nieuw besluit te nemen. Het beroep tegen het besluit van 30 augustus 2022 wordt niet-ontvankelijk verklaard, en het college moet het griffierecht aan eisers vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/6480
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres] uit [woonplaats] , eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: mr. A. Bakker).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
Stichting Beeld en Geluiduit Den Haag,
(gemachtigde: mr. S.H. van Santen).

Inleiding

1. Op 19 mei 2018 hebben eisers het college verzocht om handhavend op te treden tegen de illegale bouw van luchtbehandelingskasten op de daken van de gebouwen op de percelen [perceel 1] en [perceel 2] te [plaats] .
1.1.
Met het besluit van 30 augustus 2022 heeft het college het handhavingsverzoek van eisers afgewezen.
1.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 30 augustus 2022.
1.3.
Eisers hebben op 2 maart 2025 opnieuw gevraagd om handhavend op te treden tegen de luchtbehandelingskasten.
1.4.
Met het besluit van 23 oktober 2025 heeft het college het besluit van 30 augustus 2022 ingetrokken en opnieuw besloten om het handhavingsverzoek van 19 mei 2018 af te wijzen en ook het herhaalde handhavingsverzoek van 2 maart 2025 af te wijzen.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep van eisers op 5 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] en de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam] .
1.6.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank stelt met partijen vast dat het besluit van 30 augustus 2022 een primair besluit betreft. Partijen hebben aangegeven dat zij ermee instemmen om hiertegen rechtstreeks beroep in te stellen.
2.1.
De rechtbank merkt het besluit van 23 oktober 2025 aan als een besluit zoals bedoeld in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat het rechtstreekse beroep van eisers van rechtswege mede betrekking heeft op het besluit van 23 oktober 2025.
2.2.
De rechtbank komt tot het oordeel dat eisers geen procesbelang meer hebben bij hun beroep tegen het besluit van 30 augustus 2022, omdat dit besluit is ingetrokken. Het rechtstreeks beroep tegen het besluit van 30 augustus 2022 dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard.
2.3.
Het rechtstreeks beroep tegen het besluit van 23 oktober 2025 ziet inhoudelijk nog op twee punten. Het gaat om de hoogte van luchtbehandelingskast 6 (LBK 6) en de hoogte van de leidingen die lopen naar luchtbehandelingskast 4 (LBK 4).
2.4.
Ten aanzien van LBK 6 komt de rechtbank tot het oordeel dat het bestreden besluit van 23 oktober 2025 onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Tussen partijen is niet in geschil dat LBK 6 niet uitkomt boven de maximale hoogte van 12.570 millimeter, gemeten vanaf het peil, zoals is opgenomen in de omgevingsvergunning van 7 januari 2019. Eisers betogen echter dat de geplaatste luchtbehandelingskast zelf hoger is dan de maximale hoogte van 1,1 meter die in de omgevingsvergunning staat. Ter zitting is vast komen te staan dat het college de luchtbehandelingskast zelf niet heeft opgemeten, zodat onduidelijk blijft of deze kast voldoet aan de maten die zijn opgenomen in de omgevingsvergunning. Het besluit is daarom op dit punt onvoldoende zorgvuldig voorbereid.
2.5.
Ten aanzien van de leidingen van LBK 4 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat deze 150 centimeter boven het dak mogen uitkomen. Het college heeft dit bepaald op basis van de schaal die op de tekeningen van de omgevingsvergunning staat. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat deze hoogte van de leidingen niet zou kloppen. Het college heeft vervolgens gemeten dat de leidingen daadwerkelijk 158 centimeter boven het dak uitkomen. De rechtbank heeft ook geen aanknopingspunten om hieraan te twijfelen. Eisers hebben weliswaar een foto overgelegd waarop het lijkt dat de leidingen op een hoger punt liggen dan op de tekeningen staat, maar dit leidt niet tot een ander oordeel. De foto is genomen vanuit een hoek, zodat dit mogelijk een vertekend beeld oplevert. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van de tekeningen bij de omgevingsvergunning en de feitelijke meting.
2.6.
Dit betekent dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de leidingen 8 centimeter hoger uitkomen dan is toegestaan met de omgevingsvergunning. De rechtbank overweegt dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit een dermate geringe overschrijding is dat hiertegen niet handhavend hoeft worden opgetreden. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het college ter zitting heeft toegezegd dat een omgevingsvergunning zal worden verleend om de afwijking te legaliseren.
2.7.
Voor zover eisers wijzen op welstandseffecten geldt dat dit pas aan de orde kan komen in een procedure omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning ter legalisering van de afwijking.
Conclusie en gevolgen
3. Het rechtstreeks beroep tegen het besluit van 30 augustus 2022 verklaart de rechtbank niet-ontvankelijk, vanwege het ontbreken van een procesbelang. Het rechtstreeks beroep tegen het besluit van 23 oktober 2025 is gegrond. De rechtbank vernietigt het besluit van 23 oktober 2025 voor zover hierin is overwogen dat LBK 6 in overeenstemming is met de verleende omgevingsvergunning van 7 januari 2019.
3.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen over LBK 6 met inachtneming van deze uitspraak.
3.2.
Omdat het rechtstreeks beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden. Eisers hebben geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
3.3.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het rechtstreeks beroep tegen het besluit van 30 augustus 2022 niet-ontvankelijk;
- verklaart het rechtstreeks beroep tegen het besluit van 23 oktober 2025 gegrond;
- vernietigt het besluit van 23 oktober 2025 voor zover voor zover hierin is overwogen dat LBK 6 in overeenstemming is met de verleende omgevingsvergunning van 7 januari 2019;
- draagt het college op een nieuw besluit te nemen over LBK 6 met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,- aan eisers moet vergoeden.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 december 2025 door mr. J. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.