ECLI:NL:RBDHA:2025:23373

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
NL24.14870
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Besluit nr. 1/80standstill-bepalingArt. 4 lid 1 Besluit nr. 1/80
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetenen wegens onvoldoende rechtmatig verblijf

Eiser, een Turkse nationaliteit dragende persoon, heeft een aanvraag ingediend voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. Verweerder, de minister van Justitie en Veiligheid, heeft deze aanvraag afgewezen omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarde van vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland.

De rechtbank heeft vastgesteld dat eiser weliswaar minimaal vijf jaar in Nederland verblijft, maar dat er een periode was van onrechtmatig verblijf tussen 1 augustus 2022 en 21 februari 2023. Eiser voerde aan dat deze periode meegeteld moest worden op grond van eerdere jurisprudentie en dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt omdat in vergelijkbare gevallen vergunningen wel zijn verleend.

De rechtbank oordeelt echter dat de standstill-bepaling en de jurisprudentie van het Hof van Justitie en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geen aanleiding geven om de ononderbroken verblijfseis te versoepelen. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt verworpen omdat de situaties niet vergelijkbaar zijn.

Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter V.F.J. Bernt op 2 december 2025.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetenen wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende rechtmatig verblijf.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.14870
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. B. Aydin),
en

de minister van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een ‘EU [1] -verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen’. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een ‘EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen’. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van
27 november 2023 (het primaire besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van
6 maart 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1989 en heeft de Turkse nationaliteit. Op
26 september 2023 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een ‘EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen’. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Dit omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarde van vijf aangesloten jaren rechtmatig verblijf in Nederland. Gebleken is namelijk dat eiser in de periode 1 augustus 2022 tot
21 februari 2023 geen verblijfsvergunning heeft gehad.
4. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of in deze zaak sprake is van procesbelang. Dit omdat verweerder in het verweerschrift heeft gewezen op het feit dat eiser momenteel een verblijfsvergunning heeft, geldig tot 21 februari 2028, en heeft vermeld: ‘
voor zover er sprake is van procesbelang stelt verweerder (…)’. Op de zitting heeft de gemachtigde van verweerder aangegeven dat het ontbreken van procesbelang het primaire standpunt is. Desgevraagd heeft de gemachtigde van eiser op zitting aangegeven dat er wel sprake is van procesbelang, omdat eisers rechten eerder kunnen voortbestaan. Daarnaast is per 1 januari 2025 de inburgeringseis ingevoerd, dus als eiser nu opnieuw een verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene dan wel een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wil krijgen, moet hij eerst slagen voor het examen. Dat is volgens de gemachtigde van eiser een extra obstakel. De rechtbank is van oordeel dat eiser, gelet op wat op zitting is aangevoerd, belang heeft bij een oordeel over zijn beroep. Het procesbelang wordt daarom aangenomen.
5. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser al minimaal vijf jaar in Nederland verblijft en dat eiser valt onder de werkingssfeer van Besluit nr. 1/80 [2] . Verder is niet in geschil dat eiser nog geen vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf heeft in Nederland.
Nieuwe beperking standstill-bepaling
6. Eiser is het niet eens met de afwijzing van verweerder en verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 14 december 2023. [3] Gelet op deze uitspraak moet verweerder de periode van onrechtmatig verblijf meetellen.
7. De rechtbank oordeelt als volgt. Het Hof [4] heeft in het arrest [naam] van
4 juli 2024 [5] in rechtsoverweging 40 geoordeeld dat een regeling van een lidstaat die strengere voorwaarden stelt voor de verkrijging van een permanente verblijfsvergunning voor een Turkse werknemer geen ‘nieuwe beperking’ is in de zin van de standstill-bepaling. Dit geldt als de werknemer onder de werkingssfeer van Besluit nr. 1/80 valt en in de betreffende lidstaat verblijft. Deze regeling vormt volgens het Hof geen ‘nieuwe beperking’ omdat de strengere voorwaarden geen afbreuk doen aan het recht van de Turkse werknemer om zijn recht op vrij verkeer op het grondgebied van de lidstaat uit te oefenen. De Afdeling [6] heeft in de uitspraak van 21 november 2024 [7] , in het kader van het arrest [naam], in rechtsoverweging 2.2 tot en met 2.4 ook geoordeeld dat de voorwaarde van vijf jaar rechtmatig en ononderbroken verblijf voor de verkrijging van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, geen strijd oplevert met de standstill-bepaling. Om die reden slaagt het beroep op de uitspraak van 14 december 2023 dan ook niet.
8. Op basis van het bovengenoemde arrest van het Hof en de uitspraak van de Afdeling heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarde van vijf jaar rechtmatig en ononderbroken verblijf in Nederland voor de verkrijging van de ‘EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen’. De beroepsgrond slaagt niet.
Gelijkheidsbeginsel
9. Eiser doet vervolgens een beroep op het gelijkheidsbeginsel en verwijst naar meerdere zaken, waarin verweerder een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd of een ‘EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen’ heeft verleend ondanks het feit dat de vreemdelingen in kwestie niet aansluitend vijf jaar een rechtmatig verblijfsrecht hebben gehad. Daarom, zo stelt eiser, kan hij ook op basis van deze beschikkingen een geslaagd beroep doen op de standstill-bepaling.
10. De rechtbank stelt vast dat in vergelijkbare procedures al eerder een beroep is gedaan op de zaken van deze vreemdelingen met deze V-nummers. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 13 februari 2025 [8] . De rechtbank heeft toen geoordeeld dat het niet gaat om een situatie die vergelijkbaar is met de zaak van die vreemdeling en ook uitgelegd, per beschikking, waarom. De rechter ziet geen reden om nu anders te oordelen in het geval van eiser. Dit omdat ook nu uit de overgelegde beschikkingen en eisers toelichting op de zitting niet blijkt dat het gaat om een situatie die vergelijkbaar is met de zaak van eiser. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt dan ook niet.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van
mr.C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Europese Unie.
2.Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije.
3.Zaaknummers: NL23.3520 en NL23.3522 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
4.Hof van Justitie van de Europese Unie.
5.ECLI:EU:C:2024:572.
6.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
8.NL23.40031.