In deze zaak heeft verzoekster op 26 november 2025 bezwaar gemaakt tegen de feitelijke handeling van verweerder, de minister van Asiel en Migratie, waarbij aan haar een verblijfssticker is afgegeven met de arbeidsmarktaantekening ‘Arbeid wel toegestaan, tewerkstellingsvergunning wel vereist’. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat verweerder wordt opgedragen om aan haar een verblijfssticker met de arbeidsmarktaantekening ‘Arbeid als zelfstandige toegestaan, arbeid in loondienst alleen toegestaan met tewerkstellingsvergunning’ af te geven. Verweerder heeft op 3 december 2025 per brief laten weten dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek. De voorzieningenrechter heeft, gelet op de gegrondheid van het verzoek, uitspraak gedaan zonder zitting, zoals mogelijk gemaakt door artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De voorzieningenrechter heeft het verzoek toegewezen, wat betekent dat verweerder aan verzoekster de gevraagde verblijfssticker dient af te geven. Tevens is bepaald dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan verzoekster moet vergoeden en is verweerder veroordeeld tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan verzoekster, vastgesteld op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht.