ECLI:NL:RBDHA:2025:23317

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 december 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
NL25.57099
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 104 Vw 2000Art. 5.1b Vb 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling wegens risico op onttrekking toezicht

De minister legde op 20 november 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege risico op onttrekking aan toezicht en het ontwijken van terugkeerprocedures.

Eiser voerde verweer tegen de zware en lichte gronden, waaronder het stellen dat hij rechtmatig verblijf had via een asielprocedure in Spanje en dat hij niet zou weigeren mee te werken aan terugkeer. De rechtbank oordeelde dat deze verweren onvoldoende waren en dat de gronden voor bewaring feitelijk juist zijn.

Daarnaast stelde eiser dat de minister niet had getoetst aan het non-refoulementbeginsel, maar de rechtbank vond dat dit wel was gebeurd. Eiser klaagde ook over schending van het recht op vertrouwelijk overleg met zijn raadsman, omdat een verbalisant het gesprek bijwoonde zonder dit expliciet te melden. De rechtbank erkende deze schending maar vond na belangenafweging dat dit niet leidt tot onrechtmatigheid van de maatregel.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel rechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. De minister werd veroordeeld in de proceskosten van eiser vanwege het geconstateerde gebrek in het recht op rechtsbijstand.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.57099

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. S. Bozkurt).

Procesverloop

Bij besluit van 20 november 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
1. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
1.1.
Eiser betwist alle zware en lichte gronden. Ten aanzien van zware grond 3a betoogt eiser dat hij een lopende asielaanvraag in Spanje heeft, waardoor hij rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Ten aanzien van zware grond 3i betoogt eiser dat hij heeft verklaard liever niet terug te willen keren naar Marokko en dat hij op weg was naar Engeland. Hieruit kan volgens eiser niet worden opgemaakt dat hij niet zal meewerken aan zijn vertrek naar Marokko.
1.2.
Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. De reden hiervoor is dat de zware gronden 3a en 3i feitelijk juist zijn. Dat is zo vanwege het volgende.
Dat eiser een lopende asielprocedure heeft in Spanje en daar rechtmatig verblijf heeft, maakt niet dat hij daarmee ook rechtmatig verblijf in Nederland heeft in de zin van artikel 8 van Pro de Vw 2000. Dat is namelijk niet het geval. Eiser heeft verklaard dat hij zonder geldig reisdocument Europa is ingereisd. Daarnaast heeft eiser, in het gehoor voorafgaand aan de oplegging van de maatregel tot bewaring, wel degelijk aangegeven dat hij niet zal meewerken aan zijn verplichting tot terugkeer naar Marokko. [1] De zware gronden 3a en 3i zijn voldoende om de maatregel te kunnen dragen. Wat eiser tegen de overige gronden heeft aangevoerd behoeft daarom geen bespreking. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister de inbewaringstelling getoetst aan het arrest Adrar?
2. Eiser betoogt dat de minister de inbewaringstelling ten onrechte niet getoetst heeft aan het beginsel van non-refoulement. [2]
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat wel degelijk is getoetst aan het beginsel van non-refoulement. In het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling is aan eiser gevraagd of hij te vrezen heeft voor vervolging en/of onmenselijke behandeling bij terugkeer naar Marokko. [3] Vervolgens is in de maatregel opgenomen dat eiser heeft verklaard dat hij bij terugkeer geen risico loopt. [4] De beroepsgrond slaagt niet.
Is het recht op rechtsbijstand geschonden?
3. Eiser betoogt dat artikel 104 van Pro de Vw 2000 is geschonden, omdat hij voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft gesproken met zijn raadsman terwijl een verbalisant van het gesprek kennis heeft genomen. Hierdoor is het gesprek niet vertrouwelijk geweest. In het proces-verbaal [5] staat weliswaar dat de verbalisant genoodzaakt was om zijn diensttelefoon bij de hoorn van het vaste toestel in de gehoorkamer te houden om zo de gemachtigde en de tolk met elkaar in contact te brengen, maar hieruit volgt niet dat de verbalisant heeft medegedeeld dat hij ook aanwezig zou zijn bij het gesprek. Dit is een dusdanig ernstige schending van het recht op rechtsbijstand dat volgens eiser de inbewaringstelling onrechtmatig is en hij onmiddellijk in vrijheid gesteld moet worden.
3.1.
De rechtbank is met eiser van oordeel dat artikel 104 van Pro de Vw 2000 geschonden is. Uit het proces-verbaal blijkt niet dat de verbalisant expliciet heeft aangegeven dat hij bij het gehoor aanwezig zou zijn. Op basis van wat er in het proces-verbaal is opgenomen hoefde de gemachtigde dit, naar het oordeel van de rechtbank, ook niet aan te nemen. Een gesprek tussen een gemachtigde en zijn cliënt is immers altijd vertrouwelijk en het is voorstelbaar dat de gemachtigde er daarom van uitging dat de verbalisant de ruimte zou verlaten. Om misverstanden te voorkomen, had de verbalisant expliciet moeten melden dat hij genoodzaakt was om bij het gehoor aanwezig te zijn om het gehoor te laten plaatsvinden via de telefoon. Op die manier had de gemachtigde - met eiser - zelf kunnen kiezen of hij het gesprek op deze manier wilde voortzetten of dat hij zijn cliënt op een andere manier, bijvoorbeeld fysiek, wilde spreken.
3.2.
Er is sprake van een ernstige schending van het recht van eiser. Echter, een schending van het aan de vreemdeling toekomende recht om het kunnen spreken met zijn raadsman, zonder dat van de inhoud van het gesprek door anderen kennis wordt genomen, heeft niet zonder meer tot gevolg dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Dit gebrek maakt de inbewaringstelling pas onrechtmatig als de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. [6] Er dient dus een belangenafweging plaats te vinden.
3.3.
In dit geval valt de belangenafweging uit in het voordeel van de minister. Daarbij is van belang dat uit rechtsoverweging 1.2 volgt dat er voldoende gronden aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en de minister zich op het standpunt mocht stellen dat in het geval van eiser een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Eiser heeft niet onderbouwd welk van zijn belangen geschonden is en welk nadeel hij hieraan heeft ondervonden. Dat heeft hij ook niet gedaan nadat de minister zich, om die reden, op het standpunt had gesteld dat de belangenafweging in zijn voordeel moest uitvallen.
3.4.
Uit het voorgaande volgt dat de schending van artikel 104 van Pro de Vw 2000 er in dit geval niet toe leidt dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [7]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Vanwege het in rechtsoverweging 3.1 geconstateerde gebrek veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Proces-verbaal van gehoor bij bewaring-terugkeerbesluit en of inreisverbod d.d. 20 november 2025, p. 3 en 5.
2.Zoals bedoeld in HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (
3.Proces-verbaal van gehoor bij bewaring-terugkeerbesluit en of inreisverbod d.d. 20 november 2025, p. 6.
4.Zie M109 Maatregel van bewaring als bedoeld in art 59 Vw Pro, p. 5.
5.Proces-verbaal bevindingen d.d. 20 november 2025.
6.ABRvS 9 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV7722.
7.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (