ECLI:NL:RBDHA:2025:23258
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-tijdig beslissen op asielaanvraag en de beoordeling van de beslistermijn onder de Dublinverordening
Op 27 november 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een verzetzaak tegen een eerdere uitspraak van 2 juli 2024, waarin het beroep van de eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag gegrond werd verklaard. De eiser had op 24 mei 2022 een asielaanvraag ingediend, maar de minister van Asiel en Migratie had niet tijdig beslist. De rechtbank oordeelde dat de beslistermijn was verstreken op het moment van de ingebrekestelling. De minister heeft verzet ingesteld tegen deze uitspraak, stellende dat hij niet in de gelegenheid was gesteld om te reageren op aanvullende gronden van de eiser, die verwezen naar een eerdere uitspraak van de rechtbank van 6 december 2023.
De rechtbank heeft in deze verzetzaak geoordeeld dat de minister voldoende gelegenheid had om zijn standpunt naar voren te brengen en dat de verwijzing naar de eerdere uitspraak niet nieuw was voor de minister. De rechtbank concludeerde dat de minister niet in zijn verdediging was benadeeld en dat de eerdere uitspraak van 2 juli 2024 terecht was gedaan. De rechtbank heeft het verzet ongegrond verklaard, waarbij zij benadrukte dat de aanvang van de beslistermijn en de verantwoordelijkheidsvraag onder de Dublinverordening cruciaal waren voor de beoordeling van de zaak. De uitspraak is openbaar gemaakt en er is geen hoger beroep mogelijk tegen de beslissing op het verzet.