Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:23129

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
K/4502/11818736
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Uitvoeringsregeling Opleiding en OntwikkelingArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugbetaling studiekosten na tussentijdse beëindiging studie zonder diploma

De werknemer was bijna negen jaar in dienst van de gemeente en volgde tijdens zijn dienstverband een rechtenstudie aan de Erasmus Universiteit. Vanwege financiële problemen werd afgesproken dat de gemeente de studiekosten zou vergoeden, mits de werknemer een Persoonlijk Ontwikkelplan (POP) zou indienen en ondertekenen waarin een terugbetalingsverplichting was opgenomen. De werknemer beëindigde zijn studie tussentijds zonder diploma te behalen en meldde dit niet aan zijn werkgever.

De gemeente vorderde terugbetaling van de studiekosten op grond van artikel 7 van Pro de Uitvoeringsregeling Opleiding en Ontwikkeling, waarin staat dat bij tussentijdse beëindiging zonder diploma de volledige vergoeding moet worden terugbetaald. De werknemer voerde verweer dat hij mondeling een andere toezegging had gekregen en dat het studiekostenbeding niet rechtsgeldig was volgens jurisprudentie.

De kantonrechter oordeelde dat het schriftelijke studiekostenbeding in het POP geldt en dat de werknemer bekend had moeten zijn met de terugbetalingsverplichting. De mondelinge toezegging was onvoldoende onderbouwd. Het beding voldeed aan de criteria uit de jurisprudentie, aangezien de studie op eigen initiatief was gestart, de kosten kenbaar waren en de regeling een glijdende schaal bevatte die hier niet van toepassing was vanwege de tussentijdse beëindiging.

De vordering van de gemeente werd toegewezen, inclusief vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. De tegenvordering van de werknemer wegens onrechtmatige beslaglegging werd afgewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De werknemer wordt veroordeeld tot terugbetaling van studiekosten en betaling van rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
JK/B/C
Zaaknummer: 11818736 \ RL EXPL 25-14052
Vonnis van 26 november 2025
in de zaak van
GEMEENTE ZOETERMEER,
te Zoetermeer,
eisende partij,
hierna te noemen: de gemeente,
gemachtigde: Gerechtsdeurwaarderskantoor Over de Vest,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
verschenen in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 21 juli 2025, met producties 1 t/m 17;
- de conclusie van antwoord van [gedaagde], met producties 18 t/m 20;
- de mondelinge behandeling van 27 oktober 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] was van 1 mei 2015 tot en met 31 mei 2024 in dienst van de gemeente.
2.2.
[gedaagde] is na zijn indiensttreding gestart met een rechtenstudie aan de Erasmus Universiteit. Vanwege problemen om het collegegeld over het studiejaar 2017/2018 te voldoen heeft hij contact opgenomen met zijn leidinggevende. Afgesproken is dat de gemeente de studiekosten voor hem zou vergoeden op voorwaarde dat hij een Persoonlijk Ontwikkelplan (POP) zou indienen.
2.3.
Op 3 mei 2018 heeft [gedaagde] digitaal een POP ingediend. Het ondertekende POP bevat de volgende tekst:
“Let op:
-
Er geldt een terugbetalingsverplichting, zie artikel 7 van Pro de Uitvoeringsregeling Opleiding en Ontwikkeling[hierna: de Uitvoeringsregeling]
.
[…]
Medewerker verklaart hierbij:
[…]
  • Bekend te zijn met artikel 7 Terugbetalingsverplichting van de Uitvoeringsregeling
  • De aanvraag naar waarheid te hebben ingevuld.”
2.4.
Artikel 7 van Pro de Uitvoeringsregeling (d.d. 1 januari 2010) luidt, voor zover relevant, als volgt:
Artikel 7 Terugbetaling Pro
1. Er geldt een terugbetalingsverplichting voor studies waarvan de reeds door de werkgever vergoede studiekosten € 2.500,- of meer bedragen.
2. De medewerker is verplicht tot terugbetaling van 100% van de studiekosten indien:
a. de medewerker de studie, waarvoor de vergoeding is verleend, beëindigt voordat de in het persoonlijk ontwikkelingsplan afgesproken termijn is verstreken zonder dat de studie tot het behalen van een diploma, certificaat heeft geleid;
[…]”
2.5.
De gemeente heeft over de studiejaren 2018/2019, 2019/2020 en 2020/2021 het collegegeld voor de opleiding van [gedaagde] betaald.
2.6.
[gedaagde] heeft zijn studie tussentijds beëindigd en geen diploma behaald. Hij heeft dit niet aan zijn leidinggevende gemeld.
2.7.
Bij brief van 24 juni 2024 heeft de gemeente aan [gedaagde] meegedeeld dat hij de door de gemeente betaalde studiekosten overeenkomstig artikel 7 van Pro de Uitvoeringsregeling moet terugbetalen omdat hij de studie niet heeft afgerond. De gemeente heeft hem daarbij voor € 7.882,49 gefactureerd.
2.8.
[gedaagde] heeft de studiekosten tot op heden niet terugbetaald.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
De gemeente vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 8.651,61, vermeerderd met rente over een bedrag van € 7.882,49 vanaf 23 augustus 2024 tot op de dag waarop dit bedrag geheel is voldaan. Ook vordert de gemeente betaling van de buitengerechtelijke kosten.
3.2.
De gemeente voert daartoe aan dat [gedaagde] op grond van het POP en de daarbij behorende Uitvoeringsregeling gehouden is de studiekosten terug te betalen, nu hij zijn studie aan de Erasmus Universiteit zonder diploma heeft beëindigd.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de gemeente, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de gemeente, met veroordeling van de gemeente in de kosten van deze procedure. Hij betwist dat hij akkoord is gegaan met de terugbetaling van de studiekosten. [gedaagde] heeft weliswaar een POP ondertekend maar de gemeente heeft hem mondeling toegezegd dat zij alle studiekosten zou vergoeden. Bovendien voldoet het POP niet aan de criteria die volgens de jurisprudentie aan een studiekostenbeding worden gesteld.
in reconventie
3.4.
[gedaagde] vordert terugbetaling door de gemeente van een bedrag van € 975,05, vermeerderd met wettelijke rente van de datum van afschrijving en de gemeente te veroordelen in de kosten van deze procedure.
3.5.
[gedaagde] voert daartoe aan dat de gemeente ten onrechte beslag heeft gelegd ter waarde van voormeld bedrag.
3.6.
De gemeente voert verweer. De gemeente concludeert afwijzing van de vordering van [gedaagde], met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie en reconventie
4.1.
Gelet op de samenhang van de vorderingen zal de kantonrechter de vorderingen in conventie en reconventie gezamenlijk behandelen.
4.2.
Vooropgesteld moet worden dat de gemeente de studiekosten is gaan vergoeden omdat [gedaagde] financiële problemen had. De gemeente heeft als voorwaarde gesteld dat [gedaagde] een POP zou indienen en ondertekenen. Op de laatste bladzijde van het POP wordt expliciet vermeld dat er een terugbetalingsverplichting geldt die is weergegeven in artikel 7 van Pro de Uitvoeringsregeling en dat [gedaagde] daarmee bekend was. Dat [gedaagde] in afwijking daarvan een mondelinge toezegging had gekregen dat hij niets terug hoefde te betalen, of hooguit € 600,- boekengeld, is onvoldoende onderbouwd en past ook niet goed bij de gang van zaken, waarin geen noodzaak voor de studie bestond en de gemeente hem alleen maar tegemoet is gekomen vanwege zijn betalingsproblemen. De kantonrechter gaat er dan ook vanuit dat het in het POP opgenomen studiekostenbeding met de verwijzing naar de Uitvoeringsregeling van toepassing is en er geen afwijkende mondelinge afspraken zijn.
4.3.
In de Uitvoeringsregeling is duidelijk vermeld in welke situaties de studiekosten terugbetaald moesten worden. Van [gedaagde] mocht verwacht worden dat hij van de relevante bepalingen in de Uitvoeringsregeling kennis zou nemen voor hij het POP ondertekende. Dat hij dat niet gedaan heeft komt voor zijn rekening en risico.
4.4.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat het studiekostenbeding, zoals dat in het POP is opgenomen, niet rechtsgeldig is, omdat het niet voldoet aan de voorwaarden zoals uiteengezet in de uitspraak van de Hoge Raad van 10 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AC2816, NJ 1983/796 (
Muller/ Van Opzeeland). De kantonrechter volgt [gedaagde] daarin niet.
Het eerste criterium in het arrest
Muller/Van Opzeeland, namelijk dat duidelijk moet zijn gedurende welke tijdsspanne de werkgever wordt geacht profijt te hebben van de door de werknemer gevolgde opleiding, is hier niet aan de orde. [gedaagde] is de rechtenstudie immers niet op verzoek van de gemeente gaan volgen maar heeft dat op eigen initiatief gedaan. De studie was ook niet relevant voor zijn functie. Evenmin is gesteld of gebleken dat deze relevant zou kunnen zijn voor een eventuele vervolgfunctie of dat de gemeente op andere wijze profijt van de opleiding had.
Het tweede criterium houdt in dat de kosten vooraf kenbaar moeten zijn voor de werknemer. Volgens [gedaagde] is hieraan niet voldaan. De kantonrechter passeert dit verweer. Bij de beoordeling of de kosten voldoende kenbaar waren moeten naar het oordeel van de kantonrechter de omstandigheden van het geval worden meegewogen, namelijk dat [gedaagde] op eigen initiatief met de studie begonnen was en pas later om een vergoeding heeft gevraagd. Hij wist dus welke kosten ermee gemoeid waren. De hoogte van het collegegeld is bovendien wettelijk vastgesteld zoals [gedaagde] ook zelf heeft betoogd. Die kosten waren dus kenbaar voor [gedaagde]. Dat deze kosten niet expliciet in het POP zijn opgenomen kan aan die kenbaarheid in dit geval dan ook niet afdoen.
Het derde criterium houdt in dat de terugbetalingsverplichting via een glijdende schaal moet verminderen naarmate de arbeidsovereenkomst voortduurt. Uit de regeling blijkt dat hieraan is voldaan. Die glijdende schaal is hier echter niet aan de orde omdat [gedaagde] zijn studie tussentijds heeft beëindigd. In dat geval bepaalt artikel 7 Uitvoeringsregeling Pro dat het volledige bedrag terugbetaald moet worden. Dit staat duidelijk in de regeling en had [gedaagde] dus bekend kunnen en moeten zijn. Hij had daarmee rekening kunnen houden toen hij de studie beëindigde.
4.5.
Het voorgaande heeft tot gevolg dat [gedaagde] de studiekosten die de gemeente voor hem heeft betaald volledig moet terugbetalen. De vordering van de gemeente wordt dus toegewezen. Dat betekent dat de gemeente terecht tot beslaglegging is overgegaan en dat de beslagkosten dus voor rekening van [gedaagde] komen. De in reconventie gevorderde terugbetaling daarvan is dus niet toewijsbaar.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.6.
De gemeente vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. De gemeente heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Daarom zal een bedrag van € 769,12 exclusief BTW worden toegewezen.
Proceskosten in conventie en reconventie
4.7.
[gedaagde] is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van de gemeente (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de gemeente worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,21
- griffierecht
543,00
- salaris gemachtigde
678,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.476,21
4.8.
[gedaagde] is in reconventie eveneens in het ongelijk gesteld. De proceskosten van de gemeente worden begroot op nihil.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan de gemeente te betalen een bedrag van € 7.882,49, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro daarover vanaf 23 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan de gemeente te betalen een bedrag van € 769,12 aan buitengerechtelijke kosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.476,21, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
5.5.
wijst de vordering af,
5.6.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten aan de kant van de gemeente, die worden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Jongsma en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025.