ECLI:NL:RBDHA:2025:23120

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
24/8, 24/47
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.12 WaboArt. 3.9 WaboArt. 6:19 AwbArt. 8:69a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging omgevingsvergunning wegens ondeugdelijke ruimtelijke onderbouwing na vernietiging bestemmingsplan

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft de omgevingsvergunning voor de bouw van twee woongebouwen aan het adres in Den Haag. Eiseressen betwisten de vergunning en voeren drie beroepsgronden aan, met name gericht op sociale veiligheid, parkeerbeleid en deelvervoercontracten.

De rechtbank oordeelt dat de vergunning van 18 december 2023 vernietigd moet worden omdat het bestemmingsplan waarop deze vergunning was gebaseerd op 20 december 2023 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is vernietigd. Hierdoor ontbreekt een goede ruimtelijke onderbouwing en is de vergunning ondeugdelijk.

Echter, omdat op 10 maart 2025 een nieuwe omgevingsvergunning is verleend op basis van een ander bestemmingsplan en deze vergunning onherroepelijk is geworden, blijven de rechtsgevolgen van de vernietigde vergunning in stand. De rechtbank gaat niet inhoudelijk in op de beroepsgronden die zien op de ruimtelijke inpasbaarheid, omdat deze inmiddels onherroepelijk zijn geregeld.

De rechtbank wijst het verzoek om het besluit van 10 maart 2025 als een 6:19-besluit te kwalificeren af, omdat dit een nieuwe aanvraag betreft met een andere grondslag en bestemmingsplan. Ten slotte wordt het griffierecht aan eiseressen vergoed, maar worden proceskosten niet toegewezen.

Uitkomst: Het bestreden besluit van 18 december 2023 wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand vanwege een onherroepelijke nieuwe vergunning.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 24/8 en 24/47

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2025 in de zaken tussen

1. Stichting [eiseres 1]te [vestigingsplaats 1] , eiseres 1,
(gemachtigde: K.A.G. de Winter),
2. Stichting [eiseres 2]te [vestigingsplaats 1] , eiseres 2,
(gemachtigde: P. Drijver),
hierna ook gezamenlijk te noemen: eiseressen,
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag

(gemachtigde: mr. D.P.S. Roelands-Fransen).
Als derde-partijen nemen aan de zaken deel:
[bedrijf 1] B.V.uit [vestigingsplaats 2] , vergunninghoudster, en
Stichting [bedrijf 2]te [vestigingsplaats 1] , belanghebbende
(gemachtigde voor beide: mr. J.A. Mohuddy).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van twee woongebouwen aan het [adres 1] en [adres 2] in Den Haag. Eiseressen zijn het daarmee niet eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen gegrond zijn. Het bestreden besluit van 18 december 2023 wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen daarvan worden in stand gelaten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. In het besluit van 6 juni 2023 heeft het college de door vergunninghoudster aangevraagde omgevingsvergunning voor het bouwen van twee woongebouwen aan het [adres 1] en [adres 2] in Den Haag verleend.
2.1.
Met het besluit van 18 december 2023 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseressen is het college bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij hebben ook een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
2.3.
Op 27 december 2023 heeft vergunninghouder voor de bouw van de twee woongebouwen opnieuw een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend.
2.4.
In de uitspraak van 15 maart 2024 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
2.5.
In het besluit van 10 maart 2025 heeft het college de op 27 december 2023 aangevraagde omgevingsvergunning verleend.
2.6.
De rechtbank heeft de beroepen op 10 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: gemachtigde van eiseres 1, gemachtigde van eiseres 2, gemachtigde van het college, bijgestaan door [naam 1] , en gemachtigde van de derde-partijen, bijgestaan door [naam 2] .

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
3.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning die heeft geleid tot het besluit van 6 juni 2023 is ingediend op 11 november 2022 en de aanvraag om een omgevingsvergunning die heeft geleid tot het besluit van 10 maart 2025 is ingediend op 27 december 2023. Dat betekent dat ten aanzien van beide aanvragen de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
De totstandkoming van het bestreden besluit en het besluit van 10 maart 2025
4. In het besluit van 10 november 2022 heeft de raad van de gemeente Den Haag het bestemmingsplan [adres 1] en [adres 3] vastgesteld.
4.1.
Vergunninghoudster heeft op 11 november 2022 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van twee woongebouwen met 220 woningen en twee stallingsgarages in het gebied van het bestemmingsplan [adres 1] en [adres 3] . Dit bouwplan is voorzien ter plaatse van de inmiddels gesloopte woningen aan het [adres 1] [nummers 1] en [adres 2] [nummers 2] in Den Haag. De aanvraag betreft de activiteiten “het bouwen van een bouwwerk” en “het handelen in strijd met de regels van een bestemmingsplan”, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c van de Wabo.
4.2.
In het besluit van 6 juni 2023 heeft het college de omgevingsvergunning verleend voor de aangevraagde activiteiten. Het college is daarbij op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, van de Wabo binnenplans afgeweken van het bestemmingsplan. Het college stelt zich op het standpunt dat het bouwplan voldoet aan het – op dat moment geldende – bestemmingsplan [adres 1] en [adres 3] met uitzondering van een aantal bouwdelen die de voorgeschreven bouwhoogte met maximaal 60 centimeter overschrijden. Daarmee voldoet de aanvraag niet aan artikel 6.2.1, onder c van de planregels. Het college heeft deze overschrijding van de toegestane bouwhoogte met toepassing van artikel 10.1, aanhef en onder a, van de planregels toegestaan, omdat de overschrijding marginaal is en geen nadelige invloed heeft op de ruimtelijke belevingswaarde van de gebouwen in deze stedelijke context. Het bouwplan is niet in strijd met het bestemmingsplan Parapluherziening (fiets)parkeren.
4.3.
In het bestreden besluit heeft het college het besluit van 6 juni 2023, conform het advies van de adviescommissie bezwaarschriften, onder aanvulling van de motivering, in stand gelaten. Het college heeft aan de motivering toegevoegd dat de overschrijding van de maximale bouwhoogte geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor de privacy, het uitzicht en het woongenot van omwonenden en de door hen ervaren schaduwoverlast.
4.4.
In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 december 2023 [1] is het besluit van 10 november 2022 tot het vaststellen van het bestemmingsplan [adres 1] en [adres 3] vernietigd.
4.5.
Op 27 december 2023 heeft vergunninghoudster een nieuwe omgevingsvergunning aangevraagd voor hetzelfde bouwplan. De aanvraag betreft de activiteit “handelen in strijd met de regels van een bestemmingsplan” als vermeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. De aanvraag betreft het afwijken van de regels van het bestemmingsplan [adres 4] dat is herleefd door de vernietiging van het bestemmingsplan [adres 1] en [adres 3] .
4.6.
Op 27 februari 2024 heeft [bedrijf 3] in opdracht van vergunninghoudster een rapport uitgebracht met als titel “Parkeren woningbouwontwikkeling [adres 1] ”. [bedrijf 3] concludeert na onderzoek dat voor het bouwplan ook zonder parkeerregulering in de omgeving, voor zowel de bewoners op eigen terrein als voor de bezoekers in de openbare ruimte in voldoende parkeerplaatsen wordt voorzien.
4.7.
In de uitspraak van 15 maart 2024 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
4.8.
Op 16 september 2024 heeft [bedrijf 4] de raad van de gemeente Den Haag geadviseerd over het parkeeraspect bij vergunningverlening ten behoeve van het bouwplan. [bedrijf 4] concludeert kort samengevat dat met het rapport van [bedrijf 3] voldoende is aangetoond dat de bewoners op eigen terrein en de bezoekers in de openbare ruimte kunnen parkeren en dat ze daarvoor voldoende ruimte hebben.
4.9.
Het college heeft ten aanzien van de aanvraag van 27 december 2023 een ontwerpbesluit genomen. Dit ontwerpbesluit is voorbereid via de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Op 5 november 2024 is het ontwerpbesluit ter inzage gelegd. Eiseressen hebben zienswijzen tegen het ontwerpbesluit ingediend.
4.10.
In het besluit van 10 maart 2025 heeft het college de op 27 december 2023 aangevraagde omgevingsvergunning verleend. Sprake is van strijd met het bestemmingsplan Bouwlust, omdat de woningen zijn gesitueerd buiten het daarvoor bedoelde bouwvlak met een grotere goot- en bouwhoogte dan ter plaatse is toegestaan. Daarmee is sprake van strijd met artikel 21.2.1 onder a en onder d van de planregels. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend onder afwijking van het bestemmingsplan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3, van de Wabo. Ten aanzien van het parkeren geldt dat het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1, van de Wabo binnenplans is afgeweken. De parkeereis is vastgesteld op 157 parkeerplaatsen, waarvan 124 voor bewoners/gebruikers en 33 voor bezoekers. De aanvraag komt in aanmerking voor mogelijkheden tot reductie van de autoparkeervraag op grond van artikel 3:4 van Pro de Nota parkeernormen Den Haag 2021. Onderbouwd is dat de aanvraag voorziet in 104 autoparkeerplaatsen op eigen terrein, waarvan 5 autoparkeerplaatsen voor deelauto’s, en daarmee voldoet aan de parkeereis. Daarmee is voldaan aan artikel 5.1, onder b, van de regels horend bij bestemmingsplan Parapluherziening (fiets)parkeren, aldus het besluit.
De beroepsgronden
5. Eiseressen hebben hun beroepen ter zitting uitdrukkelijk beperkt tot drie punten.
5.1.
Ten eerste voeren eiseressen aan dat de verleende vergunning er ten onrechte niet in voorziet dat de binnentuinen worden afgesloten, in het kader van de sociale veiligheid. Verder betogen zij dat ten onrechte, en in afwijking van de Nota van Uitgangspunten Dreven van april 2021, slaapkamers in plaats van woonkamers om de binnentuinen liggen en dat ook dat nadelig is voor de sociale veiligheid.
5.2.
Ten tweede vinden zij het niet terecht dat geen parkeervergunningen in de openbare ruimte worden verstrekt aan bewoners van de te bouwen appartementen. Ze willen dat de opmerking in het besluit van 10 maart 2025 dat bewoners van de woningen niet in aanmerking komen voor een bewonersparkeervergunning voor parkeren op de openbare weg wordt geschrapt.
5.3.
Ten derde betogen zij dat de vergunning ten onrechte is verleend zonder dat vooraf duidelijkheid bestond over het afsluiten van langdurige contracten voor het aanbieden van bakfietsen en auto’s voor deelvervoer.
Is het besluit van 10 maart 2025 een 6:19 besluit?
6. De rechtbank dient allereerst te beoordelen of het besluit van 10 maart 2025, naast het bestreden besluit, onderdeel uitmaakt van deze procedure. In dat kader moet worden beoordeeld of het besluit van 10 maart 2025 een besluit is als bedoeld in artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
6.1.
Een besluit is in beginsel slechts een besluit als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, indien (a) hetzelfde bestuursorgaan (b) bij nader besluit (c) door intrekking, wijziging of vervanging, (d) met herhaalde aanwending van dezelfde bevoegdheid en op dezelfde feitelijke grondslag, van het eerder door hem genomen besluit terugkomt, (e) terwijl op dat moment inzake het eerdere besluit bezwaar, beroep of hoger beroep aanhangig is, of nog binnen de bezwaar- of (hoger)beroepstermijn aanhangig wordt gemaakt.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is het besluit van 10 maart 2025 niet aan te merken als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van Pro de Awb. Daarbij is het volgende van belang. Het besluit van 10 maart 2025 is genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, namelijk de aanvraag van 27 december 2023, en die nieuwe aanvraag betreft alleen de activiteit ‘handelen in strijd met de regels van het bestemmingsplan’, terwijl de aanvraag van 11 november 2022 daarnaast ook de activiteit ‘het bouwen van een bouwwerk’ betrof. Ook is de grondslag van beide besluiten verschillend en is getoetst aan verschillende bestemmingsplannen. In het besluit van 6 juni 2023, gehandhaafd in het besluit van 18 december 2023, is sprake van toetsing aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1, van de Wabo en gaat het om een afwijking van het bestemmingsplan [adres 1] en [adres 3] , terwijl het besluit van 10 maart 2025 ziet op een buitenplanse afwijking op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3, van de Wabo en het daarbij gaat om afwijking van het bestemmingsplan Bouwlust.
6.3.
Niet in geschil is dat eiseressen tegen het besluit van 10 maart 2025 geen beroep hebben ingesteld. De rechtbank concludeert dat het besluit van 10 maart 2025 onherroepelijk is geworden. Het besluit van 10 maart 2025, waarin de ruimtelijke inpasbaarheid aan de orde is, staat in deze procedure dan ook niet meer ter discussie.
Wat zijn de gevolgen van de vernietiging van het bestemmingsplan?
7. Beoordeeld dient te worden of de vernietiging van het bestemmingsplan [adres 1] en [adres 3] gevolgen heeft voor de bij het besluit van 6 juni 2023 verleende omgevingsvergunning, die is gehandhaafd in het bestreden besluit.
7.1.
Uit artikel 8:72, tweede lid, van de Awb volgt dat de vernietiging van een besluit ook de vernietiging van de rechtsgevolgen van dat besluit meebrengt. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat een omgevingsvergunning niet van rechtswege ongeldig wordt als het daaraan ten grondslag liggende bestemmingsplan wordt vernietigd, omdat de omgevingsvergunning niet als rechtsgevolg van het vernietigde bestemmingsplan kan worden aangemerkt. Vernietiging van het bestemmingsplan leidt er slechts toe dat een omgevingsvergunning die op grond daarvan is verleend, blootstaat aan vernietiging zolang de vergunning niet onherroepelijk is. Dat betekent dat een bestuursorgaan in een bezwaarprocedure tegen een vergunning die nog niet in rechte onaantastbaar is, aan deze vergunning niet met succes het vernietigde bestemmingsplan ten grondslag kan leggen. Als de zogenoemde Tegelen-jurisprudentie niet van toepassing is, geldt dat in een beroepsprocedure tegen zo’n vergunning eveneens. [2]
7.2.
De Tegelen-jurisprudentie is in dit geval niet van toepassing. Deze jurisprudentie is immers alleen van toepassing in het geval het nieuwe bestemmingsplan de activiteit bij recht toestaat. Indien het vernietigde bestemmingsplan de desbetreffende activiteit niet toestaat, maar daarvoor een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan nodig is, zoals hier het geval is, strekt de rechtszekerheid van de aanvrager niet zover dat ook in dat geval een uitzondering op de hoofdregel van artikel 8:72, tweede lid, van de Awb moet worden gemaakt. [3]
7.3.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat dit bestemmingsplan niet langer als grondslag voor het verlenen van de omgevingsvergunning kan dienen. Dat heeft tot gevolg dat met terugwerkende kracht een goede ruimtelijke onderbouwing van het bestreden besluit ontbreekt. Het besluit berust daarmee op een ondeugdelijke grondslag en komt daarmee voor vernietiging in aanmerking.
Conclusie
8. De conclusie is dat de beroepen gegrond zijn en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, wat betekent dat de vergunning die op 6 juni 2023 is verleend blijft gelden. Daarbij is van belang dat na vernietiging van het bestemmingsplan [adres 1] en [adres 3] op 10 maart 2025 een nieuwe omgevingsvergunning is verleend, ten aanzien van de ruimtelijke inpasbaarheid en dat dat besluit inmiddels onherroepelijk is geworden. Dat besluit is ook toegelicht in het verweerschrift. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee alsnog voorzien in een adequate ruimtelijke onderbouwing.
8.1.
De rechtbank constateert dat de drie beroepsgronden die eiseressen aanvoeren zien op de ruimtelijke inpasbaarheid. Het besluit van 10 maart 2025 dat ziet op de ruimtelijke inpasbaarheid is echter onherroepelijk, zodat op die beroepsgronden niet meer hoeft te worden ingegaan. Overigens geeft het enkele feit dat de binnentuinen openbaar toegankelijk zijn op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat er een zodanige bedreiging is van de sociale veiligheid van die binnentuinen dat de rechtsgevolgen niet in stand kunnen blijven. Verder wijzen eiseressen op de Nota van uitgangspunten Dreven voor hun standpunt dat in afwijking daarvan niet de woonkamers zijn gericht naar de binnentuinen, maar dat document ziet op de wijk Dreven en dat is een andere wijk dan waar het hier om gaat. Ten aanzien van het parkeren overweegt de rechtbank dat in het besluit van 10 maart 2025 dat onherroepelijk is geworden is bepaald dat aan bewoners geen parkeervergunning voor parkeren op de openbare weg wordt verleend en dat dat besluit in deze procedure niet ter discussie staat, nog daargelaten de vraag of het relativiteitsbeginsel van artikel 8:69a van de Awb niet in de weg zou staan aan een eventuele vernietiging op dit punt. Overigens blijkt uit het rapport van [bedrijf 3] – en dat is bevestigd in het advies van [bedrijf 4] – dat voor de bewoners voldoende ruimte is om te parkeren op eigen terrein. Ten aanzien van het aanbieden van deelvervoer merkt de rechtbank op dat het aanbieden van een contract weliswaar niet bij het indienen van de aanvraag geschiedt, maar dat in het besluit van 10 maart 2025 wel de voorwaarde is opgenomen dat een ondertekend contract met de aanbieder van het deelvervoer uiterlijk zes maanden voordat het gebouw in gebruik wordt genomen moet worden overgelegd en dat daarmee deelvervoer voldoende geborgd is.
Griffierecht en proceskosten
9. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, moet het college aan eiseressen het door hen betaalde griffierecht vergoeden. Er zijn geen proceskosten die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 18 december 2023;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 365,- aan zowel eiseres 1 als eiseres 2 te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van
mr.I. Geerink-van Loon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:247.
3.Zie de uitspraken van de Afdeling van 21 december 1999, ECLI:NL:RVS:1999:AA4296 en 21 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:92.