ECLI:NL:RBDHA:2025:23049
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning kennismigrant en gezinsleden bevestigd door rechtbank
Eiser had sinds 21 maart 2017 een verblijfsvergunning als kennismigrant en zijn gezinsleden afgeleide vergunningen. De minister trok deze vergunningen met terugwerkende kracht per 30 oktober 2022 in, omdat eiser sinds 30 juli 2022 niet meer werkzaam was bij een erkend referent, waardoor hij niet langer voldeed aan de voorwaarden.
Eiser voerde aan dat bijzondere persoonlijke omstandigheden, zoals de ziekte van zijn zoon, gezondheidsproblemen door COVID-19, problemen met arbeidsovereenkomsten en de sluiting van Russische ambassades, hem niet konden worden aangerekend en dat de minister ten onrechte geen aanvullende termijn had gegeven. Ook stelde hij dat de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro onjuist was.
De rechtbank oordeelde dat de minister de intrekking deugdelijk had gemotiveerd en dat de aangevoerde omstandigheden geen bijzondere omstandigheden vormden die intrekking moesten voorkomen. De belangenafweging was zorgvuldig gemaakt, waarbij rekening was gehouden met het privé- en gezinsleven van eiser, maar dat dit niet opwoog tegen het algemeen belang en de toepasselijke wet- en regelgeving.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.