Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:22998

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
AWB 24/2294 en 24/2295
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 Vreemdelingenwet 2000Art. 18 lid 1 onder f Vreemdelingenwet 2000Art. 19 Vreemdelingenwet 2000Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking verblijfsvergunning studie met terugwerkende kracht door minister gegrond verklaard

Eiseres maakte bezwaar tegen het besluit van de minister om haar verblijfsvergunning voor studie met terugwerkende kracht per 12 januari 2023 in te trekken. De minister baseerde dit besluit op het feit dat de referent eiseres had afgemeld van de studie, waardoor zij niet langer voldeed aan de voorwaarden voor de vergunning.

De rechtbank oordeelde dat de minister bevoegd was om de vergunning met terugwerkende kracht in te trekken, omdat eiseres vanaf genoemde datum niet meer aan de voorwaarden voldeed. Er was geen aanvraag ingediend door een onderwijsinstelling voor een nieuwe verblijfsvergunning met studiedoel. Eiseres diende wel een aanvraag in voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid, maar dit was na het bestreden besluit.

Er waren geen bijzondere persoonlijke omstandigheden die een andere beslissing rechtvaardigden. De rechtbank vond geen aanleiding voor een hoorzitting en wees het beroep af. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd eveneens afgewezen, en eiseres kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning voor studie wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 24/2294 en 24/2295

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van

[eiseres] , eiseres

[V-Nummer]
(gemachtigde: mr. W. Hoebba),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).

Samenvatting

1. Eiseres is het er niet mee eens dat haar verblijfsvergunning voor studie is ingetrokken. De rechtbank is van oordeel dat de minister dit mocht doen. Eiseres krijgt dus geen gelijk.

Procesverloop

2. Met het besluit van 28 juli 2023 is eiseres haar verblijfsvergunning met als doel ‘studie’ ingetrokken met ingang van 12 januari 2023. Met de bestreden besluiten van
26 januari 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de intrekking van eiseres haar verblijfsvergunning gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat zij niet wordt uitgezet tot op haar beroep is beslist. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
Eiseres is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
2.3.
De voorzieningenrechter/ de rechtbank (hierna: de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 22 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, H. Abdulla als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Mocht de minister de verblijfsvergunning van eiseres intrekken?
3. [referent] (hierna: referent) heeft op 28 september 2022 een aanvraag ingediend tot het verlengen van de geldigheidsduur van eiseres haar verblijfsvergunning. De geldigheidsduur van eiseres haar verblijfsvergunning is door de minister verlengd tot 14 mei 2026. Referent heeft eiseres vervolgens op 13 januari 2023 afgemeld per 12 januari 2023. Dit is tussen partijen niet in geschil. De minister heeft de verblijfsvergunning van eiseres met het besluit van 28 juli 2023 ingetrokken met terugwerkende kracht vanaf 12 januari 2023 en een terugkeerbesluit opgelegd.
4. Tussen partijen is in geschil of de minister de verblijfsvergunning van eiseres met terugwerkende kracht mocht intrekken.
5. De rechtbank overweegt als volgt. De minister is op grond van vaste rechtspraak bevoegd om de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht in te trekken vanaf het moment dat er niet (meer) wordt voldaan aan de voorwaarden. [1] De minister heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiseres vanaf 12 januari 2023 niet meer voldoet aan de voorwaarden van haar verblijfsvergunning gelet op artikel 16, eerste lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw). De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht de vergunning heeft ingetrokken per die datum. Er is nadien geen aanvraag ingediend door een onderwijsinstelling voor een verblijfsvergunning met het verblijfsdoel studie voor eiseres. Wel heeft eiseres vlak na het bestreden besluit, namelijk op
29 januari 2024, een aanvraag voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid ingediend. Van bijzondere persoonlijke omstandigheden is niet gebleken.
6. Voor een hoorzitting bestond geen aanleiding, gelet op het aangevoerde in bezwaar.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Omdat op het beroep is beslist, is geen voorlopige voorziening meer nodig. Daarom wordt het verzoek afgewezen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van
mr.G. dos Santos 't Hoen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 18, eerste lid, onder f, van de Vw, artikel 19 van Pro de Vw en de paragraven B1/6.2 en B1/6.2 van de Vreemdelingencirculaire.