Verzoeker, van Pakistaanse nationaliteit, had een visum kort verblijf aangevraagd om de bruiloft van zijn neef in Nederland bij te wonen. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van de relatie en twijfel over de binding met Pakistan en het voornemen het EU-gebied te verlaten.
Verzoeker stelde bezwaar in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, zodat hij behandeld zou worden alsof hij een visum had. De voorzieningenrechter nam een zwaarwegend spoedeisend belang aan vanwege de geplande bruiloft en constateerde sterke twijfel aan de rechtmatigheid van het besluit.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker voldoende bewijs had geleverd van zijn sociale en economische binding met Pakistan, waaronder zorg voor zijn moeder en een vaste baan met salarisstroken. Ook werd de relatie met de neef als aannemelijk beschouwd.
De voorlopige voorziening werd toegewezen, waardoor verzoeker een visum kort verblijf voor maximaal 90 dagen krijgt toegekend. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.