ECLI:NL:RBDHA:2025:22977

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
NL25.53421
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening visum kort verblijf voor bijwonen bruiloft

Verzoeker, van Pakistaanse nationaliteit, had een visum kort verblijf aangevraagd om de bruiloft van zijn neef in Nederland bij te wonen. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van de relatie en twijfel over de binding met Pakistan en het voornemen het EU-gebied te verlaten.

Verzoeker stelde bezwaar in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, zodat hij behandeld zou worden alsof hij een visum had. De voorzieningenrechter nam een zwaarwegend spoedeisend belang aan vanwege de geplande bruiloft en constateerde sterke twijfel aan de rechtmatigheid van het besluit.

De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker voldoende bewijs had geleverd van zijn sociale en economische binding met Pakistan, waaronder zorg voor zijn moeder en een vaste baan met salarisstroken. Ook werd de relatie met de neef als aannemelijk beschouwd.

De voorlopige voorziening werd toegewezen, waardoor verzoeker een visum kort verblijf voor maximaal 90 dagen krijgt toegekend. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Verzoeker wordt behandeld alsof hij in het bezit is van een visum kort verblijf voor maximaal 90 dagen om de bruiloft van zijn neef bij te wonen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.53421
[V-Nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 1992, van Pakistaanse nationaliteit, verzoeker,
(gemachtigde: mr. J. Singh)
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Bondarev).

Inleiding

1. In het besluit van 13 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.
1.1.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Hij heeft op 31 oktober 2025 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat verzoeker wordt behandeld als ware hij in het bezit van een visum kort verblijf.
1.2.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft de zaak op 19 november 2025 op zitting behandeld. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Aan de kant van verzoeker is ook verschenen de neef van verzoeker en bruidegom, de heer [naam] (hierna ook: referent).

Beoordeling door de rechtbank

2. Verzoeker heeft een visum kort verblijf aangevraagd om op [datum] 2025 bij het bruiloftsfeest van referent aanwezig te zijn.
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat volgens hem het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond. In het verweerschrift heeft verweerder hierover opgemerkt dat verzoeker de relatie met zijn gestelde neef niet aannemelijk heeft gemaakt dan wel aangetoond middels objectiveerbare bewijsstukken. Daarnaast heeft verweerder aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat verzoeker zijn sociale en economische binding met Pakistan onvoldoende heeft aangetoond, en dat niet is gebleken dat verzoeker beschikt over een regelmatig en substantieel inkomen om zelfstandig in zijn levensonderhoud te voorzien. Volgens verweerder bestaat daarom redelijke twijfel over het voornemen van verzoeker om het grondgebied van de EU [1] -lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.
4. In zijn verweerschrift heeft verweerder gesteld dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen, omdat geen sprake is van een zwaarwegend spoedeisend belang, en dat er geen ernstige reden bestaat om te twijfelen aan de rechtmatigheid van het besluit.
Beoordeling
5. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventueel nog komende beroepsprocedure niet.
6. De voorzieningenrechter stelt voorop dat er alleen in zeer bijzondere omstandigheden aanleiding kan bestaan om als voorlopige voorziening te bepalen dat verweerder aan aanvrager een visum moet verstrekken. Dit geldt nog meer wanneer verweerder in een bezwaarprocedure nog geen beslissing op bezwaar heeft genomen. De gevraagde voorziening mist namelijk een voorlopig karakter, omdat toewijzing ervan tot gevolg heeft dat verzoeker Nederland mag inreizen en verweerder voor een voldongen feit wordt gesteld. Voor zo’n vergaande beslissing, die het bestek van de voorlopige voorzieningenprocedure in principe te buiten gaat, is uitsluitend plaats als een zwaarwegend spoedeisend belang dit kan rechtvaardigen én er sterke twijfel bestaat aan de rechtmatigheid van het besluit.
Zwaarwegend spoedeisend belang
7. De voorzieningenrechter neemt een zwaarwegend spoedeisend belang aan, omdat verzoeker de bruiloft van referent op [datum] 2025 wil bijwonen. Verzoeker en referent hebben een speciale band en daarom stelt referent het zeer op prijs als verzoeker aanwezig kan zijn op zijn bruiloft. Zo heeft referent ter zitting toegelicht dat hij tot ongeveer zijn vijfde levensjaar met verzoeker in Pakistan heeft gewoond. In die tijd hebben zij een speciale band ontwikkeld. Referent ziet verzoeker als zijn grote broer. Hij heeft ook nu hij in Nederland woont nog regelmatig contact met hem.
Sterkte twijfel aan de rechtmatigheid van het besluit
8. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan, gelet op hetgeen verzoeker heeft aangevoerd en mede in het licht van het niet nader gemotiveerde bestreden besluit, sterk getwijfeld worden aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit en heeft het bezwaar van verzoeker een meer dan redelijke kans van slagen.
9. Verzoeker heeft allereerst het doel en de omstandigheden van zijn voorgenomen verblijf, te weten het bijwonen van de bruiloft van referent, immers met voldoende stukken aangetoond. Zo heeft verzoeker een uitnodiging voor de bruiloft en een zaalverhuurovereenkomst overgelegd. Verder werpt verweerder, gelet op het verhandelde ter zitting, niet langer tegen dat verzoeker zijn relatie met zijn neef niet heeft onderbouwd.
10. Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij economisch en sociaal is gebonden aan Pakistan.
10.1.
Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn sociale binding een verklaring van Ali Medical Center Daultala overgelegd. Uit deze verklaring blijkt dat zijn moeder ernstige gezondheidsproblemen heeft. Zij heeft last van hartfalen, waarvoor verzoeker haar twee keer per maand naar de kliniek brengt. De moeder van verzoeker is van hem afhankelijk voor deze zorg, omdat er geen derden zijn die deze zorg kunnen verlenen. Er woont namelijk geen andere familie in de buurt die de zorg van zijn moeder kan overnemen. Ter zitting heeft referent verklaard dat verzoeker bij zijn moeder in huis woont en momenteel bezig is met het aanbouwen van een extra ruimte aan het huis zodat zijn moeder daar kan blijven wonen als hij zelf een gezin wil stichten. Verder is de broer van verzoeker militair en heeft hij verlof aangevraagd om de zorg van zijn moeder in afwezigheid van verzoeker over te nemen. De broer van verzoeker is dus niet in staat langdurig de vereiste zorg voor zijn moeder te leveren. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker hiermee voldoende aannemelijk gemaakt dat hij terug zal moeten keren naar Pakistan om voor zijn moeder te zorgen.
10.2.
Verder heeft verzoeker ter onderbouwing van zijn economische binding meerdere documenten overgelegd zoals salarisstroken en een werkgeversverklaring. Uit deze documenten blijkt volgens de voorzieningenrechter afdoende dat hij in Pakistan bij een verzekeringsbedrijf werkt als [functie] en 50.000 PKR [2] per maand verdient en een bonus krijgt per klant die hij voor het bedrijf binnenhaalt. Verweerder werpt verzoeker tegen dat in de aanvraag voor het visum onder het kopje current occupation ‘legal profession’ is opgenomen en niet de functie en de gegevens van de werkgever. Ter zitting heeft referent een verklaring gegeven voor deze discrepantie. In Pakistan bestaan er volgens referent twee categorieën banen, de zogenoemde blue collar jobs (arbeidersbanen) en white collar jobs (kantoorbanen). Verzoeker is hoogopgeleid en zal bij de aanvraag daarom in de categorie white collar jobs zijn aangemerkt waardoor het aanvraagbureau het label ‘legal profession’ aan heeft gegeven. Verder werpt verweerder verzoeker tegen dat de data van de reisbescheiden niet overeenkomen met de brief van de werkgever waarin aan verzoeker verlof is toegekend. Ter zitting heeft referent hierover verklaard dat er inderdaad voor een ruimere periode een ticket is geboekt dan dat verlof is toegekend aan verzoeker. Verzoeker had na het aanvragen van het verlof de intentie om langer in Nederland te blijven om wat meer van het land te kunnen zien en meer tijd te hebben voor familiebezoek. De werkgever van verzoeker had aangegeven hem hiervoor wel langer verlof te willen verstrekken, maar dat eerst het visum in Nederland geregeld moest zijn. Er is vervolgens gekozen om voor een langere periode tickets te boeken, omdat het eventueel omboeken van de tickets goedkoper was door de boekingsperiode in te korten dan die te verlengen. Tot slot heeft referent een aanbod gedaan om een borgsom van € 5.000,- te betalen aan verweerder, als garantie dat verzoeker Nederland tijdig zal verlaten. De voorzieningenrechter kan de uitleg van referent over de discrepanties in de aanvraag voldoende volgen. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat verzoeker hiermee voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij terug zal moeten keren naar Pakistan vanwege zijn economische binding.
11. De voorzieningenrechter realiseert zich dat verweerder met deze uitspraak de kans wordt ontnomen om zelf een besluit te nemen, gezien de onomkeerbaarheid van de voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter neemt daarbij wel in ogenschouw dat verweerder met de brief van 28 oktober 2025 de termijn om te beslissen op het bezwaar van verzoeker heeft verlengd naar 12 weken, terwijl de bruiloft op [datum] 2025 gepland staat. Door het niet snelle handelen van verweerder staat de voorzieningenrechter geen andere weg dan de onderhavige open om verzoeker effectieve rechtsbescherming tegen het bestreden besluit te kunnen bieden.

Conclusie en gevolgen

12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening met ingang van de dagtekening van deze uitspraak inhoudende dat verzoeker wordt behandeld als ware hij in het bezit van een visum kort verblijf met een maximum van 90 dagen.
13. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte griffie- en proceskosten. De proceskosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek tot het treffen van de voorlopige voorziening toe en draagt verweerder op aan verzoeker een visum voor kort verblijf met een maximum van 90 dagen te (doen) verstrekken;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan verzoeker moet vergoeden;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Europese Unie.
2.Pakistaanse roepie.