ECLI:NL:RBDHA:2025:2297
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid problemen met dorpelingen
Eiser, een Pakistaanse asielzoeker, diende op 8 december 2024 een aanvraag tot verblijfsvergunning asiel in, die door de minister van Asiel en Migratie op 22 december 2024 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser vreesde vervolging vanwege conflicten met dorpelingen over een stuk grond dat zijn familie bezit. De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening op 4 februari 2025.
De rechtbank oordeelde dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn, maar dat zijn verklaringen over de problemen met dorpelingen ongeloofwaardig zijn. Verweerder stelde dat de verklaringen van eiser tegenstrijdig en vaag waren, en dat eiser geen details kon geven over de aanleiding van het conflict. Ook werd meegewogen dat eiser terugkeerde naar Pakistan en bij de Koninklijke Marechaussee verklaarde voor toeristische doeleinden in Nederland te zijn.
Eiser voerde aan dat de geloofwaardigheid ten onrechte werd betwijfeld en verwees naar mishandeling en dreigementen, maar de rechtbank volgde dit niet. De rechtbank stelde vast dat verweerder terecht concludeerde dat de verklaringen geen samenhangend geheel vormden en dat geen sprake was van een reëel risico op vervolging of ernstige schade. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.