ECLI:NL:RBDHA:2025:22956
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen WOZ-waarde van onroerende zaak in Den Haag
In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 1 oktober 2025 uitspraak gedaan in een geschil over de WOZ-waarde van een woning. De belanghebbende, wonende te [woonplaats], had bezwaar gemaakt tegen de beschikking van de heffingsambtenaar van de belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, die de waarde van de woning op 1 januari 2023 had vastgesteld op € 430.000. De belanghebbende betwistte deze waarde en stelde dat de woning te veel vierkante meters had, dat de vergelijkingsobjecten onvoldoende vergelijkbaar waren en dat er sprake was van overlast. Tijdens de zitting op 15 september 2025 heeft de rechtbank de argumenten van beide partijen gehoord.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, maar dat er onvoldoende rekening was gehouden met de ligging van de woning. De rechtbank stelde de ligging bij naar ondergemiddeld, wat leidde tot een verlaging van de waarde met € 10.000. Desondanks oordeelde de rechtbank dat de WOZ-waarde van € 430.000 niet te hoog was, omdat de heffingsambtenaar al een verlaging van € 22.000 had toegepast. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond was en dat er geen aanleiding was voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd openbaar uitgesproken en partijen konden binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag.