ECLI:NL:RBDHA:2025:22937

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
NL25.15027
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening asielaanvraag en proceskostenveroordeling

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 21 november 2025 uitspraak gedaan in een verzoek om een voorlopige voorziening in het kader van een asielaanvraag. Verzoekster, die samen met haar minderjarige kind een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd had aangevraagd, kreeg te maken met een afwijzing van deze aanvraag door de Minister van Asiel en Migratie. Het bestreden besluit, dat op 26 maart 2025 werd genomen, werd door verzoekster bestreden middels een beroep en een verzoek om een voorlopige voorziening. De zitting vond plaats op 2 juni 2025, waarbij de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening aanhield in afwachting van aanvullende informatie over Eritrea. Deze informatie werd uiteindelijk openbaar, waardoor de noodzaak voor een nadere zitting verviel.

De voorzieningenrechter heeft op basis van de uitspraak in de bodemzaak, die gelijktijdig werd behandeld, het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Echter, de voorzieningenrechter heeft de Minister wel veroordeeld tot betaling van de proceskosten die verzoekster heeft gemaakt, vastgesteld op €907,00. Dit bedrag is berekend op basis van het Besluit proceskosten, waarbij rekening is gehouden met de rechtsbijstand die door een derde is verleend. De kosten voor het verschijnen ter zitting zijn al vergoed in de beroepsprocedure, waardoor deze niet opnieuw in rekening worden gebracht. De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat geen hoger beroep of verzet open tegen deze beslissing.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.15027
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster] , V-nummer: [V-nummer] , verzoekster

en haar minderjarige kind, [minderjarige] ,geboren op [geboortedatum] 2021, V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar), en
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. G. Cambier).

Procesverloop

Bij het besluit van 26 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met de behandeling van het beroep NL25.15026, op 2 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, T. Ogbamichael als tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft vervolgens het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening aangehouden in afwachting van de uitkomst van een procedure op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) met betrekking tot een niet-gepubliceerde schriftelijke toelichting op het ambtsbericht van Eritrea van december 2023. De minister heeft hierom bij het briefverweer van 28 mei 2025 verzocht. Op 2 juli 2025 heeft de minister dit verzoek echter ingetrokken, omdat de betreffende toelichting inmiddels openbaar was geworden. Partijen hebben vervolgens te kennen gegeven in te stemmen met het achterwege laten van een nadere zitting.

Overwegingen

1.1.
Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.15026, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
1.2.
Gelet op de uitkomst van de bodemzaak veroordeelt de voorzieningenrechter de minister wel in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €907,00 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van €907,00 en een wegingsfactor 1). Gezien de gelijktijdige behandeling ter zitting, worden de kosten voor het verschijnen ter zitting al vergoed in de beroepsprocedure.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening af; en
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van €907,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
21 november 2025

Documentcode: [Documentcode]

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.