Verzoekster heeft een aanvraag tot verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend die door de minister van Asiel en Migratie op 26 maart 2025 is afgewezen. Tegen dit besluit is beroep ingesteld en tegelijkertijd is een voorlopige voorziening gevraagd. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening samen met het beroep op 2 juni 2025 behandeld en vervolgens aangehouden in afwachting van aanvullende informatie.
Nadat de minister het verzoek om nadere toelichting introk wegens openbaarmaking van de informatie, stemden partijen in met het achterwege laten van een nadere zitting. Op 21 november 2025 heeft de rechtbank uitspraak gedaan in de bodemzaak (zaaknummer NL25.15026), waardoor de voorlopige voorziening niet langer nodig was en het verzoek werd afgewezen.
De voorzieningenrechter veroordeelde de minister tot vergoeding van de door verzoekster gemaakte proceskosten van €907,00, gebaseerd op het Besluit proceskosten voor beroepsmatige rechtsbijstand. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.