ECLI:NL:RBDHA:2025:22931

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
NL25.39303
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag van Marokkaanse eiser wegens ongeloofwaardigheid van asielmotieven en te late indiening

In deze uitspraak beoordeelt de Rechtbank Den Haag het beroep van een Marokkaanse eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser, geboren in 1990, diende op 19 juli 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel, welke door de minister op 19 augustus 2025 als ongegrond werd afgewezen. De rechtbank behandelt het beroep op 10 november 2025, waarbij de gemachtigde van de minister aanwezig is, maar eiser en zijn gemachtigden niet verschijnen.

De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is. Eiser stelt dat hij is gevlucht vanwege bedreigingen door de vader van een minderjarig meisje met wie hij een relatie had, en omdat hij geen werk had in Marokko. De minister acht het eerste asielmotief geloofwaardig, maar het tweede niet, omdat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd en zijn verklaringen onsamenhangend zijn. De rechtbank volgt de minister in zijn oordeel dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is, en dat eiser geen verschoonbare reden heeft voor het ontbreken van documenten ter onderbouwing van zijn relaas.

De rechtbank wijst erop dat eiser zijn aanvraag te laat heeft ingediend, buiten de termijn van 48 uur, en dat hij geen gegronde redenen heeft gegeven voor deze vertraging. Eiser krijgt een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van 0 dagen en een inreisverbod van twee jaar opgelegd. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst erop dat eiser geen recht heeft op vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.39303
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. D. de Heuvel),

en
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. S. Mandersloot).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser is van Marokkaanse nationaliteit en geboren op [geboortedatum] 1990. Hij heeft op 19 juli 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van
19 augustus 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 november 2025 op zitting behandeld. De gemachtigde van de minister heeft hieraan deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigden zijn niet verschenen met bericht van verhindering.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser aan de hand van zijn beroepsgronden. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij een relatie heeft gehad met een meisje genaamd [naam] , dat op dat moment minderjarig was. De ouders van [naam] waren tegen de relatie. Eiser is vervolgens twee keer strafrechtelijk veroordeeld vanwege de relatie. De eerste veroordeling vond plaats in 2018 en had betrekking op een gijzeling van [naam] . Eiser heeft anderhalf jaar celstraf van de rechter gekregen, waarvan hij uiteindelijk tien maanden heeft vastgezeten. Ongeveer twee maanden na zijn vrijlating, in 2019, is eiser opnieuw veroordeeld, dit keer vanwege verkrachting. Hij heeft hiervoor twee jaar vastgezeten. Tijdens of na zijn vrijlating is de relatie met [naam] beëindigd. Eiser verklaart
dat de vader van [naam] hem daarna is blijven bedreigen. Om die reden is hij uit Marokko gevlucht. Daarnaast verklaart eiser dat hij gevlucht is omdat hij geen werk had in Marokko.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst; en
2. problemen vanwege een relatie met een minderjarige vrouw.
4.1.
De minister acht het eerste asielmotief geloofwaardig. Het tweede asielmotief acht de minister ongeloofwaardig, omdat eiser volgens hem onvoldoende documenten heeft overgelegd en daarvoor geen goede verklaring heeft gegeven.1 Daarnaast stelt de minister dat eiser onsamenhangend en niet aannemelijk heeft verklaard over de relatie met [naam] , de bedreigingen van vader en de omstandigheid dat eiser geen bescherming heeft ingeroepen bij de Marokkaanse autoriteiten.2 Ook heeft eiser zijn aanvraag te laat ingediend en is zijn relaas in grote lijnen niet als geloofwaardig te beschouwen.3 Het geloofwaardig geachte asielmotief kan volgens de minister niet leiden tot een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of een reëel risico op ernstige schade.4 Ook kan de omstandigheid dat eiser Marokko heeft verlaten omdat hij daar geen werk had niet leiden tot verlening van het vluchtelingschap. De aanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond.5 Eiser krijgt een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van 0 dagen en een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
Geloofwaardigheid van eisers asielrelaas
Over de documenten
5. Eiser voert aan dat hij een verschoonbare reden heeft voor het niet beschikken over documenten. Volgens hem is de minister daar ten onrechte aan voorbij gegaan. Hij moest onverwachts vluchten en dacht niet na over het meenemen van documenten. Door dit hem wel tegen te werpen, miskent de minister volgens eiser de stressvolle situatie van dat moment. Bovendien was er weinig tijd beschikbaar om zijn documenten op te vragen.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het eiser kan worden aangerekend dat hij geen documenten ter onderbouwing van zijn relaas heeft overgelegd en dat hij hiervoor geen verschoonbare reden heeft gegeven. Eiser heeft tijdens het nader gehoor namelijk verklaard dat hij in het bezit is van documenten die zijn relaas zouden kunnen onderbouwen, dat deze zich in zijn ouderlijk huis bevinden en dat zijn moeder deze aan hem zou kunnen opsturen.6 Dat eiser stelt dat hij in een acute vluchtsituatie verkeerde en daarom geen gelegenheid heeft gehad om aan documenten te denken, maakt dit niet anders. De minister heeft ter zitting immers terecht gewezen op eisers verklaring dat zijn ouders hun huis hebben verkocht voordat hij vertrok om geld in te zamelen zodat eiser naar Europa kon reizen.7 De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat dit niet duidt op een acute vluchtsituatie, wat eisers stelling ondermijnt. Ook geeft de verklaring geen inzicht in de reden waarom hij, nadat hij Nederland had
1. Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2 Idem, onder c.
3 Idem, respectievelijk onder d en e.
4 Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw.
5 Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h van de Vw.
6 Pagina’s 11, 12 en 17 van het rapport nader gehoor (NG).
7 Pagina’s 6 en 16 van het NG.
bereikt, geen inspanningen heeft verricht om de documenten alsnog te verkrijgen. Gelet op zijn eigen verklaringen mocht de minister van eiser verwachten dat hij zich zou inspannen om documenten op te vragen. Niet valt in te zien waarom eiser geen pogingen heeft ondernomen om via zijn familieleden, zoals zijn neef in Spanje of zus in Frankrijk, contact te leggen met zijn moeder om de documenten te laten opsturen. Dat hij hiervoor onvoldoende tijd had, maakt dit niets anders, nu eiser op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat hij een concrete poging heeft gedaan om de documenten te verkrijgen
Over de verklaringen
5.2.
Eiser voert verder aan dat er onvoldoende rekening is gehouden met de omstandigheid dat hij laaggeschoold is. Hij heeft in de correcties en aanvullingen aangegeven dat hij de geboortedatum van [naam] niet weet en daar gaat de minister volgens hem te gemakkelijk aan voorbij. Daarnaast voert eiser aan dat zijn verklaringen authentiek zijn en dat hij sommige details niet kan geven omdat hij niet (meer) beschikt over de informatie welke de minister van hem verlangt. De beweegredenen om niet aangifte te doen tegen de vader van [naam] zijn verder volgens eiser begrijpelijk. Ze zijn (deels) persoonlijk van aard.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen samenhangende en aannemelijke verklaringen heeft afgelegd over de gestelde problemen met de familie van [naam] als gevolg van zijn relatie met haar. De minister heeft de verklaringen over [naam] en de relatie namelijk vaag en summier mogen vinden. Zo kan eiser tijdens het nader gehoor niet duidelijk aangeven wanneer de relatie precies is begonnen, noch wat de achternaam of de exact geboortedatum van [naam] is.8 Daarnaast verklaart hij wisselend over haar leeftijd ten tijde van het aangaan van de relatie. Eiser stelt enerzijds dat [naam] 17 jaar was toen de relatie in 2018 begon.9 Vervolgens stelt hij dat [naam] in 2004 is geboren (en dus ongeveer 14 jaar moet zijn geweest toen de relatie begon), terwijl hij geen exacte datum kan noemen.10 Daar komt bij dat eiser ook heeft verklaard dat uit de strafrechtelijke stukken zou blijken dat [naam] 15 of 16 jaar was toen de relatie begon.11 De minister heeft deze uiteenlopende verklaringen onsamenhangend mogen vinden. Gezien het feit dat de relatie met [naam] de kern van eisers relaas is, mocht de minister van hem verwachten dat hij hierover eenduidig zou verklaren. Dat eiser laaggeschoold is, maakt dit om diezelfde reden niet anders. Bovendien heeft de minister in het voornemen en bestreden besluit overwogen dat eiser laaggeschoold is en hoe dit bij de besluitvorming is betrokken. Wat eiser hierover aanvoert leidt niet tot het oordeel dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met eisers opleidingsniveau.
5.4.
Ook heeft de minister de verklaringen over de gestelde mishandelingen en bedreigingen door de vader van [naam] vaag en summier mogen vinden. Zo blijft onduidelijk hoe de gestelde bedreigingen in de auto precies hebben plaatsgevonden en wat er zich op de markt heeft afgespeeld. Eiser verklaart dat hij op de markt niet heeft gezien dat de vader van [naam] hem heeft geslagen, maar dat mensen dat tegen hem hebben gezegd.12 De minister stelt terecht dat er meer concrete informatie van eiser mocht worden verwacht over deze situatie, zeker in het licht van het gegeven dat eiser verklaart daarna in het
8 Pagina 7 van het NG.
9 Pagina’s 7 en 17 van het NG.
10 Pagina’s 9 en 17 van het NG.
11 Pagina 17 van het NG.
12 Pagina’s 14 en 17 van het NG.
ziekenhuis te zijn beland en hechtingen moest krijgen voor zijn verwondingen. De minister wijst er ook terecht op dat eiser in de gelegenheid is gesteld om hierover te verklaren.
5.5.
Ten slotte mocht de minister de verklaring van eiser dat hij geen bescherming bij de autoriteiten heeft gezocht ongerijmd vinden. Eiser heeft verklaard dat hij geen aangifte tegen de vader van [naam] wilde doen vanwege [naam] zelf en omdat hij vond dat hij haar eer had geschonden.13 Tegelijkertijd heeft hij verklaard dat de vader in de gevangenis zou zijn beland als hij aangifte had gedaan.14 Hieruit volgt dat eiser wel degelijk bescherming had kunnen inroepen, maar dit bewust heeft nagelaten. Gezien de ernst van de bedreigingen en de mishandelingen die hij stelt te hebben ondervonden, mocht van hem verwacht worden dat hij zich tot de autoriteiten had gewend. Dat eisers beweegredenen persoonlijk van aard zijn, maakt dat niet anders, omdat dit, gezien de ernst van de gevolgen, niet maakt dat hij hierover aannemelijk heeft verklaard.
Over het zo spoedig mogelijk indienen van asiel
6. Eiser meent dat hem ten onrechte wordt tegengeworpen dat hij zijn aanvraag te laat heeft ingediend. Hij stelt dat er een zeer korte tijd zit tussen zijn aankomst in Nederland en de indiening van zijn aanvraag. Daarbij merkt eiser op dat het beleid van de minister op willekeur berust en om die reden ook geen tegenwerping mag zijn.
6.1.
Uit het dossier blijkt dat eiser op 5 juli 2025 Nederland is ingereisd maar pas op 19 juli 2025 een asielaanvraag heeft ingediend.
6.2.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser zich niet zo spoedig mogelijk heeft gemeld. Zijn aanvraag is ingediend buiten de termijn van 48 uur,15 zonder dat hij daarvoor een gegronde of verschoonbare reden had. Voor zover eiser stelt dat dit beleid berust op willekeur, heeft hij dit niet onderbouwd. De rechtbank overweegt verder dat de minister terecht heeft opgemerkt dat eiser tijdens het aanmeldgehoor heeft verklaard dat hij twee weken op straat heeft geleefd toen hij in Nederland kwam omdat hij niet wist hoe hij zich moest melden voor asiel en hij de Nederlandse taal niet sprak.16 In het nader gehoor stelt eiser dat het om zes dagen ging.17 De minister stelt terecht dat dit tegenstrijdig aan elkaar is. Verder merkt de minister terecht op dat eiser heeft verklaard dat mensen in België hem hebben verteld over het aanvragen van asiel in Nederland. Hij is vervolgens naar de politie in [plaats] is gegaan, waarna een politieman hem de weg naar [locatie] heeft gewezen.18 De verklaring dat eiser niet wist hoe hij zich moest melden en dat hij de taal niet sprak, kan daarom niet worden gevolgd.
Over het inreisverbod
7. Eiser voert ten slotte aan dat de minister heeft nagelaten te onderzoeken of er redenen zijn om af te zien van het uitvaardigen van een inreisverbod.
13 Pagina 16 van het NG.
14,Pagina 19 van het NG.
15 Zie paragraaf C2/7.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
16 Pagina 11 van het aanmeldgehoor.
17 Pagina 4 van het NG.
18 Idem.
7.1.
De rechtbank volgt eiser hierin niet. De minister heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond en aan eiser een vertrektermijn onthouden.19 De minister heeft bij zich bij het onthouden van een vertrektermijn gebaseerd op zijn beleid.20 Eiser heeft geen specifieke gronden aangevoerd tegen het onthouden van een vertrektermijn. Hieruit volgt dat de minister vervolgens gehouden was om een inreisverbod op te leggen.21 Eiser heeft overigens ook geen enkele reden aangevoerd waardoor de minister had moeten afzien van het opleggen van een inreisverbod.22 Van een situatie als bedoel in artikel 64 van de Vw is geen sprake. De minister heeft dus terecht geen aanleiding gezien om geen inreisverbod op te leggen.

Conclusie en gevolgen

8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
19 Artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw.
20 Paragraaf A3/3.3 van de Vc.
21 Artikel 66, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
22 Artikel 66, achtste lid, van de Vw.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
21 november 2025

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.