ECLI:NL:RBDHA:2025:22924
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Asielaanvraag buiten behandeling gesteld wegens vermeend frustreren van gehoren, beroep gegrond verklaard
Eiser, van Iraakse nationaliteit, diende op 3 april 2025 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel in. De minister stelde deze aanvraag buiten behandeling op 19 augustus 2025, omdat eiser tijdens twee nadere gehoren onvoldoende verklaringen zou hebben afgelegd en daarmee het gehoor zou hebben gefrustreerd.
De rechtbank oordeelt dat het eerste nader gehoor niet aan eiser kan worden toegerekend, omdat hij koorts had en de minister naliet een medische beoordeling af te wachten. Dit was in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en de samenwerkingsverplichting. Het tweede nader gehoor beëindigde eiser vanwege communicatieproblemen met de tolk, maar de rechtbank stelt vast dat de tolk beëdigd was in de juiste taal en dat er geen aanwijzingen waren voor miscommunicatie.
De minister mocht de aanvraag niet buiten behandeling stellen omdat eiser slechts eenmaal verzuimd heeft informatie te verstrekken. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen na een nieuw gehoor. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van de minister om de asielaanvraag buiten behandeling te stellen wordt vernietigd.