ECLI:NL:RBDHA:2025:22870

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
25/2936
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van beroep wegens onbekwaamheid en gebrek aan toestemming van de bewindvoerder

In deze zaak heeft eiser, die onder bewind staat, beroep ingesteld tegen een besluit van het Centraal Administratiekantoor (CAK). De rechtbank heeft vastgesteld dat eiser onbekwaam is om beroep in te stellen en dat zijn bewindvoerder geen volmacht of toestemming heeft gegeven voor het indienen van het beroep. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. De rechtbank heeft de zaak zonder zitting beoordeeld op basis van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft de bewindvoerder gevraagd of zij instemt met het beroep van eiser, maar er is geen toestemming verleend. Eiser is niet in staat tot een redelijke waardering van zijn belangen, wat zijn onbekwaamheid bevestigt. De rechtbank heeft daarom het beroep niet-ontvankelijk verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen op 4 december 2025, en een afschrift is verzonden aan de betrokken partijen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/2936

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het Centraal Administratiekantoor (CAK), verweerder

(gemachtigde: A. Baas).

Inleiding

Eiser heeft tegen de brief van verweerder van 22 april 2025 met de kenmerken BZ/25/174935/KB, BZ/25/174374/KB en BZ/25/230737/KB (het bestreden besluit) beroep ingesteld.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

Uit de dossierstukken blijkt dat eiser onder bewind staat bij Fidinda CBM B.V. (hierna: Fidinda).
Uit het bewindregister blijkt dat de kantonrechter te Leiden op 18 maart 2015 een bewind heeft ingesteld over de (toekomstige) goederen wegens lichamelijke of geestelijke toestand.
3. Artikel 8:21, eerste lid, van de Awb bepaalt dat natuurlijke personen, onbekwaam om in rechte te staan, in het geding worden vertegenwoordigd door hun vertegenwoordiger naar burgerlijk recht. In artikel 8:21, tweede lid, van de Awb is bepaald dat de in het eerste lid bedoelde personen zelf in het geding kunnen optreden, indien zij tot een redelijke waardering van hun belangen in staat kunnen worden geacht. Artikel 1:441, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, bepaalt dat tijdens het bewind de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte vertegenwoordigt.
4. Eiser heeft zonder zijn bewindvoerder beroep ingediend. Bij de indiening van het beroep is geen volmacht van zijn bewindvoerder overlegd.
5. De rechtbank heeft aan de bewindvoerder gevraagd of zij instemt met het beroep van eiser. Hierop heeft [naam] van Fidinda geantwoord dat geen toestemming is verleend en dat gezien de geestelijke toestand van eiser ook niet alsnog toestemming zal worden verleend. Dit betekent dat eiser niet over de vereiste toestemming van zijn bewindvoerder beschikt om te procederen.
6. Niet gebleken is dat eiser tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat kan worden geacht. Omdat eiser onbekwaam is om beroep in te stellen en de bewindvoerder geen volmacht of toestemming heeft gegeven voor het indienen van het beroep, is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van S.I. Teunissen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.