ECLI:NL:RBDHA:2025:22831

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 november 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
C/09/694092 / FA RK 25-8326
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WzdArt. 3.2.3 Wet langdurige zorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing opvolgende rechterlijke machtiging op grond van Wet zorg en dwang

Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) heeft een verzoek ingediend tot verlening van een opvolgende rechterlijke machtiging voor de duur van twee jaar op grond van artikel 24 van Pro de Wet zorg en dwang (Wzd) ten aanzien van cliënt, die verblijft in een zorgaccommodatie. De rechtbank heeft het verzoek behandeld op 10 november 2025, waarbij cliënt niet aanwezig wilde zijn bij de mondelinge behandeling.

De advocaat van cliënt betwist het bestaan van fysiek of substantieel verbaal verzet en stelt dat het ernstig nadeel, zoals in de stukken vermeld, niet meer actueel is. De psycholoog en arts bevestigden dat cliënt geen actief verzet toont en zich bewust is van haar afhankelijkheid van de zorginstelling. Cliënt uit wel de wens om thuis te zijn, maar onderneemt geen acties om de instelling te verlaten.

De rechtbank constateert dat cliënt lijdt aan een psychogeriatrische aandoening met een psychische stoornis in remissie, die kan leiden tot ernstig nadeel. Echter, gezien het ontbreken van verzet en het feit dat de zorg ook vrijwillig kan worden voortgezet, is een rechterlijke machtiging niet langer noodzakelijk. Daarom wijst de rechtbank het verzoek af.

Uitkomst: Het verzoek tot verlening van een opvolgende rechterlijke machtiging wordt afgewezen wegens het ontbreken van voldoende ernstig nadeel en verzet.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaak-/rekestnr.: C/09/694092 / FA RK 25-8326
Datum beschikking: 10 november 2025

Opvolgende rechterlijke machtiging

Beschikkingnaar aanleiding van het door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een opvolgende machtiging voor de duur van twee jaar als bedoeld in artikel 24 van Pro de Wet zorg en dwang (Wzd), ten aanzien van:

[cliënt] ,

hierna te noemen: cliënt,
geboren op [geboortedatum] 1949 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
thans verblijvende in de accommodatie [instelling] te [plaats] ,
advocaat: mr. R.T. Schrama te Den Haag.

ProcesverloopHet procesverloop blijkt uit het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 4 november 2025.

Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- het indicatiebesluit op grond van artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg van 20 december 2024;
- de aanvraag voor een opvolgende machtiging aan het CIZ van 23 oktober 2025;
- de op 22 oktober 2025 ondertekende medische verklaring van een ter zake kundige arts, M.C. Bachet-Sarneel, die cliënt met het oog op de machtiging kort tevoren heeft onderzocht, maar niet bij haar behandeling betrokken was.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 10 november 2025. Daarbij zijn de volgende personen gehoord:
- cliënt, bijgestaan door haar advocaat;
- de psycholoog, mevrouw [naam 1] ;
- de arts, de heer [naam 2] .
Omdat cliënt niet naar de zittingsruimte wilde komen, heeft de rechter haar in de algemene ruimte bezocht en haar gevraagd of zij aanwezig wilde zijn bij de mondelinge behandeling. Cliënt gaf aan dat zij niet aanwezig wilde zijn tijdens de mondelinge behandeling en niet met de rechter wilde praten. De advocaat bevestigde dat cliënt dit ook aan hem had gezegd. De rechtbank heeft zodoende vastgesteld dat betrokkene niet gehoord wenst te worden en heeft de zitting voortgezet buiten aanwezigheid van cliënt. Cliënt was wel aanwezig tijdens de uitspraak, nadat de advocaat haar specifiek daarvoor naar binnen had gevraagd.

Standpunten ter zitting

De advocaat betwist dat sprake is van verzet. In de medische verklaring staat dat cliënt niet langer wil verblijven in de zorgaccommodatie, maar er is geen sprake van fysiek verzet. Daarnaast is er alleen sprake van verbaal verzet als ernaar wordt gevraagd. Spontane uitingen van verzet worden niet waargenomen. Cliënt vindt het nog steeds moeilijk om de situatie te accepteren, maar zij realiseert zich ook zij geen alternatieven heeft. Het verzet is daarmee te gering. Verder betwist de advocaat dat het ernstig nadeel, zoals die is opgenomen in de stukken, nog steeds actueel is. In de stukken staat dat cliënt nog steeds hallucinaties en wanen ervaart, terwijl deze in werkelijkheid zijn verdwenen. Mocht een rechterlijke machtiging naar het oordeel van de rechtbank toch noodzakelijk zijn, dan verzoekt de advocaat om de duur van de machtiging te beperken.
De psycholoog en de arts hebben naar voren gebracht dat cliënt vermijdend is in contact richting beide. Cliënt voelt zich vaak bedreigd in een gesprek. Cliënt toont geen fysiek verzet, maar geeft desgevraagd wel aan naar huis te willen. Onder begeleiding gaat cliënt naar buiten. Zij gaat daarna altijd zonder enige moeite mee terug naar de zorginstelling. Cliënt onderneemt ook geen acties om de zorginstelling te verlaten, terwijl cliënt zich wel vrij beweegt in het gebouw en naar buiten zou kunnen.

Beoordeling

Op 20 februari 2025 is door de rechtbank een opvolgende rechterlijke machtiging tot opname en verblijf in een accommodatie verleend tot en met 12 december 2025.
Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat cliënt lijdt aan een psychogeriatrische aandoening gepaard gaand met een psychische stoornis, te weten uitgebreide neurocognitieve stoornis en een psychotische stoornis, in remissie
.
Anders dan de advocaat, is de rechtbank van oordeel dat
deze psychogeriatrische aandoening en psychische stoornis leiden tot ernstig nadeel. Het ernstig nadeel bestaat uit:
- ernstig lichamelijk letsel;
- ernstige psychische schade;
- ernstige verwaarlozing;
- maatschappelijke teloorgang;
- de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.
Om het ernstig nadeel te voorkomen dan wel af te wenden, is gebleken dat verblijf in een accommodatie noodzakelijk is. Een rechterlijke machtiging is dat echter niet meer. De psycholoog en de arts hebben ter zitting verklaard dat geen sprake meer is van actief fysiek of verbaal verzet tegen de opname en het verblijf. Cliënt is zich ervan bewust dat zij afhankelijk is van het verblijf in de zorgaccommodatie. De rechtbank verwacht daarom niet dat cliënt zal vertrekken uit de zorgaccommodatie. Dat zij op vragen aangeeft liever thuis te zijn, acht de rechtbank onvoldoende om te kunnen concluderen dat sprake is van verzet. De zorg kan derhalve in het vrijwillig kader worden voortgezet.
Gelet op het voorgaande is niet voldaan aan het de criteria voor verlening van een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf in een accommodatie als bedoeld in de Wzd. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. van Hees, rechter, bijgestaan door T.C. Melman als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 10 november 2025.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 20 november 2025.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!