Verzoeker is op 3 juli 2025 ziek geworden en het UWV heeft op 28 augustus 2025 een Ziektewet-uitkering toegekend op basis van een dagloon van €76,93. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze berekening en vroeg om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter beoordeelde dat bij financiële geschillen zoals deze alleen een voorlopige voorziening wordt getroffen als er sprake is van onverwijlde spoed. Verzoeker stelde dat het te lage dagloon leidde tot financiële problemen en psychische druk, maar onderbouwde niet dat er sprake was van acute financiële nood of onomkeerbare situatie.
Het UWV stelde dat het onduidelijk was hoe verzoeker zijn vaste lasten voor indiensttreding betaalde en dat verzoeker geen bijstandsuitkering had aangevraagd. De voorzieningenrechter concludeerde dat verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat een spoedeisend belang bestond.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.