Uitspraak
uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 december 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker,
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
Beslissing
mr.M.J. Bronsveld, griffier.
Rechtbank Den Haag
In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek kennelijk ongegrond is, omdat niet is gebleken van een spoedeisend belang. De uitspraak is gedaan zonder zitting, op basis van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Het Uwv had in een besluit van 8 september 2025 bepaald dat verzoeker per 18 juni 2025 geen WIA-uitkering kan ontvangen, omdat hij 0,00% arbeidsongeschikt wordt geacht. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De voorzieningenrechter stelt vast dat bij financiële geschillen, zoals in deze zaak, niet snel sprake is van spoedeisend belang, omdat na afloop van de bodemzaak het bedrag alsnog kan worden terugbetaald, eventueel met wettelijke rente.
Verzoeker voert aan dat hij geen inkomsten heeft omdat zijn uitkeringen zijn gestopt en dat hij en zijn gezin niet rondkomen van de Wajong-uitkering van zijn echtgenote. Het Uwv betwist echter dat er sprake is van een acute financiële noodsituatie, omdat er geen dreigende schulden zijn aangetoond. De voorzieningenrechter concludeert dat verzoeker niet voldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van een spoedeisend belang en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.