ECLI:NL:RBDHA:2025:22806

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
SGR 25/7620
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening WIA-uitkering wegens gebrek aan spoedeisend belang

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek kennelijk ongegrond is, omdat niet is gebleken van een spoedeisend belang. De uitspraak is gedaan zonder zitting, op basis van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het Uwv had in een besluit van 8 september 2025 bepaald dat verzoeker per 18 juni 2025 geen WIA-uitkering kan ontvangen, omdat hij 0,00% arbeidsongeschikt wordt geacht. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De voorzieningenrechter stelt vast dat bij financiële geschillen, zoals in deze zaak, niet snel sprake is van spoedeisend belang, omdat na afloop van de bodemzaak het bedrag alsnog kan worden terugbetaald, eventueel met wettelijke rente.

Verzoeker voert aan dat hij geen inkomsten heeft omdat zijn uitkeringen zijn gestopt en dat hij en zijn gezin niet rondkomen van de Wajong-uitkering van zijn echtgenote. Het Uwv betwist echter dat er sprake is van een acute financiële noodsituatie, omdat er geen dreigende schulden zijn aangetoond. De voorzieningenrechter concludeert dat verzoeker niet voldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van een spoedeisend belang en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/7620

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 december 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker,

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,het Uwv (gemachtigde: M.A. Brouwer).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2
Het Uwv heeft in het besluit van 8 september 2025 bepaald dat verzoeker per
18 juni 2025 geen WIA-uitkering kan krijgen omdat hij 0,00% arbeidsongeschikt wordt geacht. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Beoordeling door de rechtbank

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
3. Verzoeker voert aan dat hij geen inkomsten heeft omdat zijn uitkeringen zijn gestopt. Na afloop van zijn uitkering op grond van de Werkloosheidswet heeft hij een bijstandsuitkering aangevraagd, maar hij heeft die niet gekregen omdat zijn echtgenote een Wajong-uitkering ontvangt. Verzoeker en zijn gezin kunnen niet rondkomen van de Wajong-uitkering van zijn echtgenote.
4. Het Uwv is van mening dat niet is gebleken van dreigende schulden zoals het afsluiten van nutsvoorzieningen of het ontruimen van de woning, zodat er volgens het Uwv geen sprake is van een acute onomkeerbare financiële noodsituatie. Het Uwv wijst er verder op dat verzoekers echtgenote mogelijk in aanmerking komt voor een toeslag op haar uitkering.
5. De voorzieningenrechter oordeelt dat geen sprake is van een spoedeisend belang. Met de enkele stelling dat zijn gezin niet kan rondkomen van de Wajong-uitkering van zijn echtgenote, heeft verzoeker niet onderbouwd dat sprake is van een acute financiële noodsituatie.

Conclusie en gevolgen

6. De conclusie is dat er geen enkel spoedeisend belang is. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.J. Bronsveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.