ECLI:NL:RBDHA:2025:22800

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
SGR 25/5690
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-tijdig beslissen door het Uwv inzake WIA-uitkering

In deze zaak heeft eiser, woonachtig in [woonplaats], beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) op zijn bezwaar tegen een besluit van 10 december 2024, waarin hem een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) was toegekend. Eiser heeft op 7 januari 2025 bezwaar gemaakt tegen dit besluit, maar het Uwv heeft verzuimd om tijdig op het bezwaar te beslissen. Eiser heeft op 2 september 2025 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit. De rechtbank heeft vastgesteld dat de beslistermijn is overschreden en dat het Uwv niet heeft gereageerd op de ingebrekestelling van eiser. De rechtbank heeft daarom het beroep gegrond verklaard en het Uwv opgedragen om binnen twee weken na de uitspraak alsnog een besluit bekend te maken. Tevens is er een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd voor elke dag dat het Uwv deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Eiser heeft recht op vergoeding van het griffierecht van € 53,-, maar er zijn geen proceskosten toegewezen omdat eiser zelf het beroep heeft ingesteld en er geen voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/5690

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,het Uwv (gemachtigde: [naam] ).

Inleiding

1. In het besluit van 10 december 2024 heeft het Uwv aan eiser een uitkering toegekend op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Eiser heeft op 7 januari 2025 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.1.
Eiser heeft op 2 september 2025 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit op bezwaar.
1.2.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank overweegt dat vaststaat dat de termijn om te beslissen op het bezwaar is overschreden. Eiser heeft het Uwv op 13 juni 2025 in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op 16 juni 2025 zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het bezwaar. Het beroep is daarom gegrond.
3. Het Uwv heeft op 19 augustus 2025 een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiser een dwangsom van € 1.442,- is toegekend. Gelet hierop hoeft de rechtbank de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom niet vast te stellen.
4. Omdat het Uwv nog geen besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet een bestuursorgaan dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.1.
Eiser heeft de rechtbank verzocht om het Uwv op te dragen om binnen een door de rechtbank te bepalen termijn alsnog een beslissing te nemen.
4.2.
Het Uwv heeft in het verweerschrift gesteld dat de beslistermijn is overschreden omdat eiser een hoorzitting met de verzekeringsarts wenst, terwijl er vanwege het tekort aan verzekeringsartsen een wachtlijst van enkele maanden bestaat voor het plannen van een hoorzitting. Eiser heeft in zijn e-mail van 17 oktober 2025 vervolgens toegelicht dat het Uwv telefonisch aan hem heeft bevestigd dat de reactie van het Uwv aan de rechtbank berust op een interne fout en het Uwv heeft hem verzocht om dit zelf aan de rechtbank te melden. Verder geeft eiser aan dat zijn bezwaar uitsluitend gaat over de indexering van het verzekerd dagloon en de hoogte van de uitkering, dat hij nooit om een hoorzitting met een verzekeringsarts heeft gevraagd en dat de hoorzitting in bezwaar maanden geleden al heeft plaatsgevonden. Eiser vreest dat er zonder verdere druk geen voortgang zal plaatsvinden.
5. De rechtbank overweegt dat er geen verzekeringsarts nodig is voor de beoordeling van eisers bezwaar, nu dit bezwaar niet de medische situatie van eiser betreft maar de hoogte van het dagloon. Niet gebleken is van andere omstandigheden die aanleiding zouden geven om dit beroep aan te merken als een bijzonder geval in de zin van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank zal daarom bepalen dat het Uwv binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak alsnog een besluit bekend moet maken. De rechtbank acht hierbij van belang dat eiser onweersproken naar voren heeft gebracht dat de hoorzitting in bezwaar al maanden geleden heeft plaatsgevonden.
6. Eiser heeft de rechtbank verzocht om een gerechtelijke dwangsom op te leggen. De rechtbank stelt vast dat een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- in overeenstemming is met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover. [1] De rechtbank zal bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de hierboven genoemde beslistermijn van twee weken wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
7. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.
8. Omdat eiser zelf beroep heeft ingesteld en de rechtbank niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het Uwv op om uiterlijk binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat het Uwv aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
- bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.J. Bronsveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/Paginas/extra-dwangsom.aspx.