Eiser, een Nigeriaanse man, vreesde bij terugkeer vermoord te worden door zijn neef, lid van de Fulani Herdsmen, vanwege een conflict over landbouwgrond. Hij diende op 19 februari 2024 een asielaanvraag in, die op 9 oktober 2025 door de minister werd afgewezen als kennelijk ongegrond met een terugkeerverplichting en inreisverbod.
De rechtbank behandelde het beroep op 6 november 2025 en oordeelde dat het beroep ongegrond is. De minister achtte de identiteit van eiser geloofwaardig, maar vond het tweede asielmotief over de Fulani Herdsmen ongeloofwaardig vanwege summiere en tegenstrijdige verklaringen, onvoldoende onderbouwing met documenten en wisselende verklaringen over videobeelden, foto's en een litteken.
De rechtbank stelde dat de minister deze wisselende verklaringen niet had mogen tegenwerpen, wat een motiveringsgebrek oplevert, maar dat dit gebrek niet leidt tot gegrondverklaring omdat andere tegenwerpingen het ongeloofwaardigheidsstandpunt voldoende dragen. De minister mocht ook wijzen op tegenstrijdigheden in documenten en verklaringen, en op het ontbreken van problemen in de laatste zes maanden voor vertrek.
De rechtbank veroordeelde de minister wel tot vergoeding van de proceskosten van eiser. Het beroep werd ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvraag gehandhaafd.