ECLI:NL:RBDHA:2025:22697

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
1 december 2025
Zaaknummer
NL:TZ:2502420:R-RK en NL:TZ:2502423:R-RK
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing dwangakkoord tegen weigering schuldeiser in problematische schuldensituatie

Verzoekster bevindt zich in een problematische schuldensituatie met een totale schuldenlast van €12.022,61 bij tien schuldeisers. Zij heeft een schuldregeling voorgesteld waarbij een deel van de vorderingen wordt voldaan en het restant wordt kwijtgescholden. Negen schuldeisers gingen akkoord, maar één schuldeiser, met een vordering van €6.283,22 (52,3% van de schuld), weigerde zonder opgave van redenen en verscheen niet op de zitting.

De rechtbank stelde vast dat de schuldbemiddeling door een bevoegde instantie, de gemeente Den Haag, was uitgevoerd en dat het voorstel goed gedocumenteerd was. De rechtbank voerde een belangenafweging uit en oordeelde dat het onredelijk was dat de schuldeiser niet instemde, mede omdat het voorstel het maximaal haalbare was gezien de financiële situatie van verzoekster, die gezondheidsproblemen heeft en in een daklozenopvang verblijft.

De rechtbank wees het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling af omdat het dwangakkoord wordt toegewezen. Het dwangakkoord biedt een gunstiger resultaat voor alle schuldeisers dan de WSNP, met lagere kosten en een snellere afwikkeling.

De rechtbank beval de schuldeiser om in te stemmen met de schuldregeling en wees het WSNP-verzoek af. Tegen deze uitspraak kan binnen acht dagen hoger beroep worden ingesteld.

Uitkomst: De rechtbank legt een dwangakkoord op en beveelt de schuldeiser mee te werken aan de schuldregeling.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANKDEN HAAG
Team Insolventies
rekestnummers: NL:TZ:2502420:R-RK en NL:TZ:2502423:R-RK
vonnis van 27 november 2025
in de zaak van
[verzoekster],
wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
hierna: [verzoekster] ,
tegen
[bedrijfsnaam] B.V.,
gevestigd te Den Haag,
hierna: [bedrijfsnaam] .
Waar deze zaak over gaat
[verzoekster] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Zij heeft een voorstel gedaan aan haar schuldeisers, waarbij een deel van de vordering wordt voldaan en het resterende deel door de schuldeiser wordt kwijtgescholden. Omdat niet alle schuldeisers met dit voorstel hebben ingestemd, heeft [verzoekster] de rechtbank verzocht het aangeboden akkoord dwingend op te leggen. Dit verzoek wordt door de rechtbank toegewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1.De feiten waar de rechtbank van uit gaat

1.1.
[verzoekster] heeft de afgelopen jaren een schuldenlast opgebouwd van € 12.022,61 aan 10 schuldeisers. Het is [verzoekster] niet gelukt om zelf een oplossing te vinden voor deze schulden. Met behulp van de gemeente Den Haag heeft zij voor het laatst op 18 april 2025 een schuldregeling aangeboden (saneringsakkoord). Dit voorstel houdt in dat aan de schuldeisers met een recht van voorrang een uitkering ineens wordt aangeboden van 10,84% en aan de gewone schuldeisers een uitkering ineens van 5,4%, tegen kwijtschelding van het restant van hun vorderingen.
1.2.
[bedrijfsnaam] is als enige schuldeiser niet akkoord gegaan met dit voorstel. [verzoekster] heeft een schuld aan [bedrijfsnaam] van € 6.283,22, dat is 52,3% van de totale schuldenlast.
1.3.
De overige negen schuldeisers hebben het aanbod aanvaard.
1.4.
Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft [verzoekster] bij de rechtbank twee verzoeken ingediend. In de eerste plaats wil zij dat de rechtbank [bedrijfsnaam] dwingt mee te werken aan de schuldregeling (een dwangakkoord oplegt). Wanneer de rechtbank dit verzoek afwijst, wil zij worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP).

2.De procedure

2.1.
De verzoeken van [verzoekster] zijn behandeld op de zitting van 20 november 2025. Op deze zitting verschenen:
- [verzoekster] ,
- [naam 1] , begeleider van de Kessler Stichting,
- [naam 2] , schuldhulpverlener van de gemeente Den Haag,
2.2.
[bedrijfsnaam] is opgeroepen, maar niet op de zitting verschenen.

3.Standpunten van partijen

3.1.
[verzoekster] stelt dat het onredelijk is dat [bedrijfsnaam] het aanbod niet aanvaardt. Volgens haar heeft zij al het mogelijke gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden en kan zij niet meer aanbieden dan zij heeft gedaan.
3.2.
[bedrijfsnaam] heeft haar standpunt niet kenbaar gemaakt aan de rechtbank.

4.De beoordeling van de verzoeken

4.1.
De rechtbank zal het verzoek van [verzoekster] om een dwangakkoord op te leggen toewijzen. Hieronder wordt dit oordeel toegelicht.
Het beoordelingskader van een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord
4.2.
Een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord kan worden toegewezen als aan twee voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet de rechtbank vaststellen dat de schuldbemiddeling op de juiste wijze is uitgevoerd door een daartoe bevoegde instantie. Ten tweede moet de rechtbank aan de hand van een belangenafweging vaststellen dat het onredelijk is dat [bedrijfsnaam] weigert in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.
De schuldbemiddeling moet zijn uitgevoerd door een bevoegde instantie
4.3.
De rechtbank stelt vast dat de schuldbemiddeling is uitgevoerd door de gemeente Den Haag. Dat betekent dat wordt voldaan aan de door wet gestelde voorwaarden, namelijk dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij. Het voorstel is naar het oordeel van de rechtbank bovendien goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank moet een belangenafweging maken
4.4.
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser vrijstaat om te verlangen dat zijn vordering volledig wordt betaald. Tegelijkertijd is het belangrijk dat mensen met problematische schulden zicht hebben op een schuldenvrije toekomst. De wetgever biedt daar verschillende regelingen voor, waarbij mensen met schulden zich maximaal moeten inspannen om zo veel mogelijk af te lossen en daarna schuldenvrij verder kunnen. Schuldeisers moeten dan vaak wel afstand doen (van een (groot) deel) van hun vordering. Daarom kunnen schuldeisers alleen onder bijzondere omstandigheden gedwongen worden om in te stemmen met een aangeboden schuldregeling.
4.5.
De rechtbank kan een zogenaamd ‘dwangakkoord’ opleggen wanneer de weigering van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden onredelijk is. Om te kunnen beoordelen of dat het geval is, moet de rechtbank de belangen van alle betrokkenen afwegen: van de verzoekster zelf, van de weigerende schuldeiser(s) en van de schuldeisers die wél hebben ingestemd. Op basis van die belangenafweging is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat een dwangakkoord hier op zijn plaats is.
[verzoekster] heeft het maximaal haalbare voorstel gedaan
4.6.
Het voorstel dat [verzoekster] aan haar schuldeisers heeft gedaan is het maximaal haalbare. Een beter voorstel is niet mogelijk. Het aanbod dat [verzoekster] aan haar schuldeisers heeft aangeboden is gebaseerd op een Wia-uitkering. [verzoekster] kampt met gezondheidsklachten en kan op dit moment niet werken. Daarnaast verblijft [verzoekster] al geruime tijd in de daklozenopvang van de Kessler Stichting. Een hoger aanbod valt daarom op korte termijn niet te verwachten.
Deze regeling is in het belang van de andere schuldeisers
4.7.
De vordering van [bedrijfsnaam] bedraagt met 52,3% een aanzienlijk deel van de totale schuldenlast. Dat brengt aan de ene kant mee dat niet snel kan worden geoordeeld dat het onredelijk is dat [bedrijfsnaam] heeft geweigerd met de schuldregeling in te stemmen. Tegelijk kent de wet niet een bijzondere positie toe aan schuldeisers die een groot deel van de schuldenlast vertegenwoordigen. De rechtbank kan dus het dwangakkoord ook toewijzen wanneer de weigerende schuldeiser het grootste deel van de schuldenlast vertegenwoordigt. In dit geval is van belang dat de meerderheid van de schuldeisers namelijk negen van de tien schuldeisers, die samen (ruim) 47,7% van de totale schuldenlast vertegenwoordigen, wél met de aangeboden regeling hebben ingestemd en de enige weigerende schuldeiser, met een vordering uit 2016, de redenen voor haar weigering niet kenbaar heeft gemaakt en zonder enig bericht, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting is verschenen.
4.8.
Uit de bij het verzoekschrift gevoegde stukken blijkt dat het dwangakkoord voor alle schuldeisers tot een gunstiger resultaat leidt dan de WSNP. Toepassing van de WSNP leidt tot hoge kosten, doordat de vergoeding van de bewindvoerder uit het gespaarde saldo wordt voldaan. Hierdoor blijft een lagere uitkering voor de schuldeisers over. De kosten voor schuldbemiddeling zijn minder hoog dan die van een bewindvoerder in een WSNP traject. Het aangeboden akkoord wordt op korte termijn aan de schuldeisers overgemaakt, zodat zij het dossier kunnen sluiten.
Het WSNP-verzoek is niet langer aan de orde
4.9.
Omdat het verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord zal worden toegewezen, heeft [verzoekster] geen belang meer bij haar verzoek om te worden toegelaten tot de WSNP. Dat verzoek zal daarom worden afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- beveelt [bedrijfsnaam] B.V. in te stemmen met de onder 1.1 bedoelde schuldregeling;
- wijst het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling af.
Dit is een beslissing van mr. J.C.A.T. Frima, rechter, in samenwerking met B.A.H. van der Ven, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 november 2025.
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan degene die in het ongelijk is gesteld gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof in Den Haag.