ECLI:NL:RBDHA:2025:22588
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep inreisverbod en ongegrondheid beroep bewaring vreemdeling
De rechtbank Den Haag behandelde beroepen tegen twee besluiten van de minister van Asiel en Migratie: een inreisverbod van twee jaar en een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser. Het inreisverbod werd opgelegd op 23 augustus 2025 en het beroep daarop werd niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser de beroepsgronden niet tijdig had ingediend, ondanks meerdere herinneringen en een hersteltermijn.
De maatregel van bewaring, eveneens opgelegd op 23 augustus 2025, werd op 3 september 2025 opgeheven nadat eiser was uitgezet naar Oezbekistan. Het beroep tegen deze maatregel werd inhoudelijk beoordeeld, waarbij de rechtbank oordeelde dat gezien de omstandigheden en de niet-bestreden gronden de maatregel rechtmatig was. De rechtbank concludeerde dat er geen lichter middel toepasbaar was en dat de maatregel niet onrechtmatig was, ook niet met ambtshalve toetsing aan EU-recht en het non-refoulementbeginsel.
Het verzoek om schadevergoeding wegens de bewaring werd afgewezen omdat geen onrechtmatigheid was vastgesteld. De rechtbank wees ook het beroep tegen de maatregel van bewaring ongegrond. Tot slot werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen de uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen de gestelde termijnen.
Uitkomst: Het beroep tegen het inreisverbod is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond, met afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.